Domein 2: Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld
Rekenen met ruimte en vormen
Domein 2: Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld
Rekenen met ruimte en vormen
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
Ik kan in herkenbare situaties onderscheid maken tussen omtrek, oppervlakte en inhoud, de juiste eenheden gebruiken, en eenvoudige berekeningen uitvoeren met vlakke en ruimtelijke figuren, plattegronden, routes en schaal.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen volgens jou bij rekenen met ruimte en vormen?
Gebruik de antwoorden om voorkennis op te halen. Let op woorden als omtrek, oppervlakte, inhoud, plattegrond, route, schaal, meten en vormen.
Vlakke en ruimtelijke figuren
2D is vlak: lengte en breedte
3D heeft ook diepte of hoogte
Een tekening op papier is vaak 2D
Een doos, fles of kast is 3D
Leg het verschil eenvoudig uit: 2D kun je tekenen als vlakke vorm, 3D kun je vastpakken als voorwerp. Koppel meteen aan voorwerpen uit het lokaal.
Vlakke (2D) figuren
Vierkant: 4 gelijke zijden
Rechthoek: 4 hoeken, overstaande zijden even lang
Driehoek: 3 zijden
Cirkel: rond, zonder hoeken
Deze figuren zie je terug in ramen, tafels, borden en verkeersborden
Deze slide heeft geen instructies
Ruimtelijke (3D) figuren
Kubus: alle ribben even lang
Balk: doosvorm
Cilinder: zoals een blik
Bol: zoals een bal
Je herkent deze vormen in verpakkingen en meubels
Gebruik echte voorbeelden: dobbelsteen = kubus, verhuisdoos = balk, frisdrankblik = cilinder.
Van vlak naar ruimtelijk
Een vlakke voorstelling laat vaak een ruimtelijk object zien.
Een vierkant kan de voorkant van een kubus zijn
Een rechthoek kan de zijkant van een kast zijn
Een cirkel kan de bovenkant van een blik zijn
Je kijkt dus naar vorm én naar het voorwerp
Benadruk dat één 2D-vorm onderdeel kan zijn van een 3D-object. Dat helpt later bij plattegronden en werktekeningen.
Welke vorm is 3D?
cirkel
driehoek
cilinder
rechthoek
Controleert het verschil tussen vlakke figuren en ruimtelijke vormen uit slides 2-5.
Welke figuren herken je in het plaatje?
Deze slide heeft geen instructies
Welk ruimtelijk figuur zie je in deze huizen?
Kegel
Kubus
Vierkant
Rechthoek
Deze slide heeft geen instructies
Wat is omtrek?
Deze slide heeft geen instructies
Wat is omtrek?
De omtrek is de totale lengte rond een figuur.
Je gebruikt omtrek bij situaties zoals:
een hek om een tuin
een rand langs een tafel
de afstand rond een veld
Bij omtrek horen lengtematen, zoals cm en m.
Deze slide heeft geen instructies
Rondom deze tuinen worden hekken geplaatst.
Waar de tuinen aan de huizen grenzen, komt geen hek.
Wat is de lengte van het hek om tuin A en B samen?
m2
62 meter
28 m2
30 m
39 meter
Deze slide heeft geen instructies
Wat is oppervlakte?
Veel studenten halen m en m² door elkaar. Benadruk dat oppervlakte altijd gaat over een vlak.
Wat is oppervlakte?
De oppervlakte is hoeveel vlak iets bedekt.
Je gebruikt oppervlakte bij situaties zoals:
vloerbedekking in een kamer
verf op een muur
tegels op een terras
Bij oppervlakte horen vierkante maten, zoals cm² en m².
Veel studenten halen m en m² door elkaar. Benadruk dat oppervlakte altijd gaat over een vlak.
Wat is de oppervlakte van dit voetbalveld?
4500 m2
290 m2
290 m
450 m2
Deze slide heeft geen instructies
100 cm² = ....... m²?
second
0,5 m²
0,01 m²
1 m²
1000 m²
Deze slide heeft geen instructies
46 km² = ....... hectare?
second
0,46 ha
4,6 ha
460 ha
4600 ha
Deze slide heeft geen instructies
Wat is inhoud?
Noem dat liter vaak gebruikt wordt bij vloeistoffen, en kubieke maten bij ruimte of dozen.
Inhoud
Bij inhoud bereken je hoeveel er IN een figuur kan.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is inhoud?
De inhoud is hoeveel er in een ruimte of voorwerp past.
Je gebruikt inhoud bij situaties zoals:
water in een fles
ruimte in een doos
inhoud van een kamer
Bij inhoud horen cm³, m³ en vaak ook liter.
Noem dat liter vaak gebruikt wordt bij vloeistoffen, en kubieke maten bij ruimte of dozen.
Wat is de inhoud van deze zeecontainer?
72 m2
34 meter
17 m3
72 m3
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Hoeveel liter water pas
er in dit aquarium?
288 liter
28,8 liter
288000 cm3
Ik weet niet hoe ik dit uitreken
Deze slide heeft geen instructies
Omtrek berekenen
Tel je alle zijden op.
Voorbeeld:
lengte = 7 m en breedte = 4 m
omtrek = 7 + 4 + 7 + 4 = 22 m
Je kunt ook de verkorte vorm noemen: 2 × lengte + 2 × breedte.
Oppervlakte berekenen
Bij een rechthoek reken je:
Oppervlakte = lengte × breedte
Voorbeeld woonkamer:
4 m × 7 m = 28 m²
dit gebruik je voor vloer, tapijt of laminaat
Maak het verschil met omtrek expliciet: dezelfde maten, maar een andere vraag en andere eenheid.
Inhoud berekenen
Bij een balk reken je:
Inhoud = lengte × breedte × hoogte
Voorbeeld doos:
40 cm × 30 cm × 20 cm
inhoud = 24.000 cm³
inhoud in liters
Als passend kun je kort laten zien dat 24.000 cm³ gelijk is aan 24 liter, maar houd de nadruk op de betekenis van inhoud.
Plattegronden lezen
Een plattegrond is een vlakke tekening van een ruimte, land of stad van bovenaf.
muren, deuren, ramen, wegen of andere objecten staan als lijnen of symbolen getekend.
de betekenis van tekens, kleuren en symbolen staan in een legenda.
Leg uit dat een plattegrond 2D is, maar wel een 3D-ruimte voorstelt.
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Routes volgen of beschrijven
Een route beschrijft hoe je van de ene plek naar de andere gaat.
startpunt en eindpunt zijn belangrijk
je gebruikt: rechtdoor, linksaf, rechtsaf
soms lees je een route op een kaart of in navigatie
ook gebruik je soms de windrichtingen
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Schaallijn of op schaal
Deze slide heeft geen instructies
De afstand tussen Hollum en Nes is 5,5 cm.
Hoeveel kilometer is de werkelijke afstand tussen Hollum en Nes?
11 km
8 km
5,5 km
20 km
Deze slide heeft geen instructies
Wat is schaal?
Schrijf eventueel ook: 100 cm = 1 m, zodat de vertaalslag concreet wordt.
Wat is schaal?
Schaal laat zien dat een tekening kleiner of groter is dan de werkelijkheid.
bij schaal 1 : 100 is 1 cm op de tekening 100 cm in het echt
je gebruikt schaal op kaarten, plattegronden en werktekeningen
schaal helpt om echte afmetingen af te leiden
Schrijf eventueel ook: 100 cm = 1 m, zodat de vertaalslag concreet wordt.
Schaal toepassen
Voorbeeld:
op een tekening is een muur 5 cm lang
schaal is 1 : 100
in werkelijkheid is de muur 5 meter lang
Reken hardop mee: 5 cm × 100 = 500 cm = 5 m.
Bij schaal 1 : 100 is 5 cm op de tekening in het echt:
50 cm
5 m
500 m
0,5 m
Rekenstap: 5 cm × 100 = 500 cm = 5 m.
Schaal begrijpen
Schaal laat zien dat een tekening kleiner of groter is dan de werkelijkheid. Bij schaal 1 : 100 is 1 cm op papier gelijk aan 100 cm in het echt.
Controleert de kern van schaal en de koppeling tussen papier en werkelijkheid.
Begrippenlijst
2D - een vlakke figuur met lengte en breedte
3D - een ruimtelijke vorm met lengte, breedte en hoogte
omtrek - de totale lengte rond een figuur
oppervlakte - de grootte van een vlak
inhoud - hoeveel er in een ruimte of voorwerp past
plattegrond - een tekening van een ruimte van bovenaf
schaal - verhouding tussen tekening en werkelijkheid
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
cm - centimeter, een lengtemaat
m - meter, een lengtemaat
cm² - vierkante centimeter, een maat voor oppervlakte
m² - vierkante meter, een maat voor oppervlakte
cm³ - kubieke centimeter, een maat voor inhoud
liter - maat voor inhoud, vaak bij vloeistoffen
routebeschrijving - uitleg van de weg van startpunt naar eindpunt
Deze slide heeft geen instructies
Einde theorie
Domein 2, Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld
We gaan nu de gemengde opdrachten maken.
Deze slide heeft geen instructies
Afronding van de les
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
Ik weet wat vlakke en ruimtelijke figuren zijn en kan deze herkennen.
Ik weet wat omtrek, oppervlakte en inhoud is en hoe ik dit moet berekenen met de juiste eenheden.
Ik weet wat plattegronden zijn en routes te volgen of te beschrijven.
Ik kan rekenen met een schaallijn of schaal.
Ik kan eenheden omrekenen met de rekenkaart?
Ik kan in herkenbare situaties onderscheid maken tussen omtrek, oppervlakte en inhoud, de juiste eenheden gebruiken, en eenvoudige berekeningen uitvoeren met vlakke en ruimtelijke figuren, plattegronden, routes en schaal.
Deze slide heeft geen instructies
Wat uit deze les ga jij echt onthouden?
Deze slide heeft geen instructies
Welk onderdeel vond jij het lastigst?
Deze slide heeft geen instructies
Wat hielp jou vandaag het meest om het te begrijpen?
Deze slide heeft geen instructies