Afstemmen en samenwerken

Afstemmen en samenwerken 18 VP
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Afstemmen en samenwerken 18 VP

Slide 1 - Tekstslide

Welke vormen van overleg ken je?

Slide 2 - Woordweb

Theorie:zorgpad branches- plannen en coördineren van zorg
7 Zorg organiseren en coördineren

Slide 3 - Tekstslide

Het is van belang dat je weet wat een goede samenwerking is. Als je samenwerkt, is er altijd een..
A
Samenwerkingscontract
B
MDO
C
Gezamenlijk doel
D
Hulpverleningstraject

Slide 4 - Quizvraag

Het doel van samenwerken is een resultaat bereiken dat...
A
Financieel gunstig is.
B
niet door één persoon bereikt kan worden.
C
Methodisch bereikt wordt.
D
Professioneel is.

Slide 5 - Quizvraag

Wie staat er in de zorg in het middelpunt van de samenwerking?
A
Wettelijke vertegenwoordigers
B
Intramurale partners
C
Extramurale partners
D
De cliënt

Slide 6 - Quizvraag

Het belang van samenwerken
ALs je samenwerkt, is er altijd een gezamenlijk doel. Het doel is om samen een resultaat te bereiken dat niet door één persoon bereikt kan worden. Anders kun je het net zo goed alleen uitvoeren. In de hulpverlening zal die cliënt altijd het middelpunt van de samenwerking zijn. 

Slide 7 - Tekstslide

Samenwerken doe je met diverse betrokkenen. O.a. met de cliënt die aan zijn heup is geholpen en de fysiotherapeut. Dit is een vorm van:
A
Intramurale samenwerking
B
Extramurale samenwerking

Slide 8 - Quizvraag

Je werkt ook samen met bijv. de thuiszorg. Dit is een vorm van:
A
Intramurale samenwerking
B
Extramurale samenwerking

Slide 9 - Quizvraag

En je werkt samen met bijv. de verpleegkundige die binnen dezelfde instelling werkt als jij.
Dit is een vorm van:
A
Intramurale samenwerking
B
Extramurale samenwerking

Slide 10 - Quizvraag

Samenwerkingsrelaties
Intramurale ketenpartners zijn alle mensen binnen de instelling waar je meer werkt. Binnen de muren!

Extramurale ketenpartners zijn alle 'externe' samenwerkingsrelaties. Thuiszorg, fysiotherapeut maar ook bijv. het vervoersbedrijf.

Slide 11 - Tekstslide

Theoriebron 2 kennis van diverse samenwerkingspartners

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Hoe noem je personen, instellingen of organisaties die een bijdrage leveren aan een dienst of betrokken zijn bij de hulpverlening aan een cliënt?
A
Vrijwilligers
B
Mantelzorgers
C
Ketenpartners
D
Werknemers

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste doel van ketenzorg? Kies het beste antwoord.
A
Ondersteunen in de hulpverlening.
B
Contact tussen instellingen onderhouden.
C
Cliëntcontact bevorderen.
D
Intensief samenwerken en kennis uitwisselen.

Slide 15 - Quizvraag

Ketenzorg
Een vorm van een samenwerkingsrelatie is de professionele samenwerking. Dit doe je als werknemer of als stagiaire. De functionele samenwerking wordt ingezet als de problemen van clienten zo complex zijn dat een gebundelde inzet van deskundigen nodig is. Dit zie je vaak in de ketenzorg. Ketenzorg is een aaneenschakeling van hulpverlening en diverse hulpverleners. Niet professioneel is met o.a. een studiegenoot.

Slide 16 - Tekstslide

Wat zijn de twee belangrijkste niet professionele (informele) hulpverleners? Kies er één.
A
Psycholoog
B
Mantelzorgers
C
Vrijwilligers
D
Verpleegkundige

Slide 17 - Quizvraag

Vrijwilligers/Mantelzorg
  • Ondersteuning tijdens activiteiten.
  • Buddy of maatje
  • Samen boodschappen doen
  • Koffie schenken
  • Extra ondersteuning!

Slide 18 - Tekstslide

Wetgeving bij de zorg (eerder behandeld)

Slide 19 - Tekstslide

Wat betekent integer zijn als VP-er?
A
Nauwkeurig werken
B
Zeer zorgvuldig omgaan met informatie.
C
Privacy gevoelige informatie nooit delen
D
Beroepscode naleven.

Slide 20 - Quizvraag

Waar staan de waarden en normen met daarbij horende uitgangspunten om te werken als verzorgende? In de...
A
WGBO
B
Wet op de privacy
C
Beroepscode
D
Beroepsgeheim

Slide 21 - Quizvraag

Mag het beroepsgeheim
doorbroken worden?
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quizvraag

Beroepsgeheim
Het beroepsgeheim mag doorbroken worden wanneer er sprake is van gevaar ondanks dat de
patiënt geen toestemming heeft gegeven
.

Slide 23 - Tekstslide

1.
2.
3
4
5
6
Signaleren
Risico inschatten
Collegiale toetsing
Beslissen: spreken
Documenteren
Evalueren

Slide 24 - Sleepvraag

Deelnemen aan overleg en besluiten nemen

Slide 25 - Tekstslide

Welk overleg staat vooraf gepland op een vast moment?
A
Formeel overleg
B
Informeel overleg

Slide 26 - Quizvraag

Vergader- en besluitvormingstechnieken
De verschillende vergader- en besluitvormingstechnieken zijn voor formele overleggen allemaal hetzelfde. Naast betrokken aanwezigen zijn er ook specifieke rollen en taken:
Voorzitter
Notulist

Slide 27 - Tekstslide

Tijdens dit overleg leg je bijv. uit hoe het digitale zorgleefplan of begeledingsplan werkt.
A
Instructieoverleg
B
Brainstormoverleg
C
Informatief overleg

Slide 28 - Quizvraag

Tijdens dit overleg wordt en vaak van gedachten gewisseld over een thema.
A
Instructieoverleg
B
Brainstormoverleg
C
Informatief overleg

Slide 29 - Quizvraag

Tijdens dit overleg leg je aan collega's uit hoe zij moeten werken met het cliënt informatie systeem CURA.
A
Instructieoverleg
B
Brainstormoverleg
C
Informatief overleg

Slide 30 - Quizvraag

Tijdens dit overleg informeer je anderen, bijv. over hoe het nieuwe verpleeghuis eruit gaat zien.
A
Instructieoverleg
B
Brainstormoverleg
C
Informatief overleg

Slide 31 - Quizvraag

Een ... overleg is een formeel overleg waarbij diverse (multi-) disciplines betrokken zijn.
A
WGBO
B
MDN
C
MDO
D
CIS

Slide 32 - Quizvraag

Theoriebron 7 Gemaakte afspraken afstemmen 
en uitwisslen

Slide 33 - Tekstslide

Communicatie gaat op meerdere manieren.
Op welke 2 niveau's wordt er gecommuniceerd?

Slide 34 - Open vraag

Communicatie
Het inhoudsniveau gaat over wat er gezegd wordt, over de informatie, over de inhoud van het bericht. Het betrekkingsniveau over HOE het gezegd wordt.

Slide 35 - Tekstslide

Wat betekent interdisciplinair?
A
Verschillende vakgebieden in een overlegvorm
B
Normen en waarden nakomen.
C
Discipline hebben in het werkveld.
D
Kennis uitwisselen vanuit je eigen vakgebied.

Slide 36 - Quizvraag

Welke woorden heb je onthouden uit deze lessen?

Slide 37 - Woordweb