M&O Week 2. (les 1) Etiketten lezen en was sorteren.

1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 138 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik 
Wasmachine schoonmaken

- Maak een stappenpan hoe je de wasmachine schoonmaakt. Denk ook aan wat je nodig hebt. 
- Op papier of op je laptop. 
- 5 minuten 
- eerst zelf aan de slag
- Klaar? bespreek het resultaat met een klasgenootje
timer
5:00

Slide 3 - Tekstslide

terugblik en activeren van aanwezige kennis 

Startklaar
  • Welkom Klas! 
  • Ga allemaal op je plek zitten. 
timer
3:00

Slide 4 - Tekstslide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Etiketten lezen en was sorteren. 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

      Leerdoelen
Aan het einde van de les: 
  • herkent je verschillende soorten was en weet wat de wassymbolen op een etiket betekenen.(R)
  • sorteert je kleding correct op kleur en materiaal en kiest het juiste wasprogramma aan de hand van het etiket. (T1)
  • je gebruikt kennis van etiketten om een passend wasadvies te geven voor een onbekend kledingstuk.. (T2)
  • uitleggen waarom verkeerd sorteren of een verkeerd wasprogramma schade aan kleding kan veroorzaken. (I)

Slide 6 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

JdW-kijkwijzer
Lesopbouw:

  1. Vooraf:
    Startklaar, Voorkennis activeren, Formatief Handelen

  2. Instructie:
    Leerdoelgericht werken, Inclusieve didactiek, Concrete en herkenbare voorbeelden, Formatief Handelen

  3. Toepassing:
    Actieve verwerking, Formatief handelen 

  4. Evaluatie:
    Afsluiting

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Textiel

Slide 9 - Woordweb

Vraag: Wat weet je over textiel? 
Van welke merk is het kledingstuk dat je het meeste draagt? 

Textiel 
Textiel= geweven stof

Slide 10 - Tekstslide

UITLEG 

Textiel staat letterlijk voor geweven stof.
Textiel verwijst naar materialen die worden gemaakt van vezels, zoals katoen, wol, zijde en synthetische vezels.
Textiel wordt gebruikt voor kleding, beddengoed, meubels, tassen, en zelfs technische toepassingen zoals in de luchtvaartindustrie.
Textielproductie heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot duizenden jaren geleden, van handmatig weven tot moderne machinale productie.
Het productieproces omvat stappen zoals spinnen, weven, verven en afwerken om textielmaterialen te creëren

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Textiel wordt ook gebruikt voor..... 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Functies van textiel
Functies van textiel:
  • beschermen tegen kou, warmte en vocht;
  • uiterlijk aantrekkelijker maken;
  • je onderscheiden (uniform/cultuur);
  • schoonmaken.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Materialen 
Natuurlijke grondstoffen komen uit de natuur, zoals wol en katoen.
Ze zijn verdeeld in twee groepen:
• plantaardig
• dierlijk
  
Kunstmatige grondstoffen worden in de fabriek gemaakt en heten ook wel synthetisch.
Er zijn twee soorten:
• halfsynthetisch : gemaakt van een natuurlijke grondstof
• synthetisch:  komt niet in de natuur voor

Van de grondstoffen worden de vezels gebruikt en die worden geweven tot textiel. 
Vezels zijn de kleinste stukjes waaruit een draad is opgebouwd. 
 



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Linnen 
Viscose
Wol
Polyamide ( Nylon)
Katoen
Zijde 
Polyester 
Leer


Slide 15 - Tekstslide

basismaterialen= grondstoffen 


Goed om te weten...

Slide 16 - Tekstslide

Notitie: 

- Natuurlijke vezels zoals wol en katoen zijn bijvoorbeeld bekend om hun isolerende eigenschappen, die warmte vasthouden en ademen in koudere omstandigheden.

- Dynthetische vezels zoals polyester en nylon, worden gebruikt voor kleding die waterafstotend is en sneldrogend is.

Etiketten 

Slide 17 - Tekstslide

samenstellingsetiket
Je kunt lezen uit welke vezels of gronstoffen het textielproduct gemaakt is.
Behandelingsetiket
Geeft aan hoe een textielproduct tijdens wassen, strijken, drogen en reinigen moet worden behandeld.

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Het wasproces 
Sorteren op:
  • kleur 
  • grondstof
  • vuilheid 
  • nieuw wasgoed 

Let op!
  • Maak alle zakken leeg.  
  • Rol opgestroopte mouwen af. 
  • Vlekken voorbehandelen als nodig.  
  • Keer kleding binnenstebuiten; Vooral broeken, truien en shirts met opdruk. 
  • Doe ritsen en drukknopen dicht en knoop touwtjes samen.
  • Kleding met haakjes, klittenband of een beugel bh was je in een speciaal waszakje.


Slide 19 - Tekstslide

Nieuwe wasgoed geven soms af. 
Het wasproces 
Het wasproces

Bewaar op een droge plaats
Bewaar zo kort mogelijk.

Bewaar op een koele plaats.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Symbolen 
Symbolen

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wasprogramma's 

Voorwas : De voorwas wordt vooral gebruik bij ernstig vervuilde was.  

Hoofdwas : Dit is het belangrijkste wasprogramma. De watertemperatuur voor de hoofdwas hangt af van de mate van vervuiling van de te wassen artikelen.  

Spoelen: Een wasprogramma heeft meestal een aantal spoelgangen. Op deze manier worden alle zeepresten en het vuil weggespoeld.   

Centrifugeren:De was wordt droog gemaakt. Hierbij wordt zoveel mogelijk vocht uit het wasgoed verwijderd. 
 
Andere bijzonderheden binnen de wasprogramma’s:  
  • Wolwasprogramma speciaal voor wol en fijn textiel.  
  • Kreukherstellend voor textiel dat niet te veel mag kreuken.  
  • Speciale programma’s op moderne wasmachines zoals sportkleding







Slide 23 - Tekstslide

Let op!
Wasgoed dat te lang in de machine blijft liggen, gaat stinken en kan zelfs gaan schimmelen.

Slide 24 - Tekstslide

Deze hebben wij momenteel op school!
Linke vak: Voorwas. Denk aan Vanish of Biotex 
Middelste: Wasverzachter
Rechter vak: Wasmiddel Vloeibaar 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Was drogen
  • Aan de waslijn
  • Condensdrogers: het water uit het wasgoed wordt opgevangen in een waterreservoir.
  • Blowers of luchtafvoerdrogers: de waterdamp via een slang naar buiten laten gaan. 

voordeel: snel/ als je weinig ruimte hebt
nadeel: duur, wasgoed slijt meer, gebruikt veel energie

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Ergonomisch werken
  • Tijdens het wassen en strijken is het belangrijk om ergonomisch te werken. Je probeert zo gezond, efficiënt en comfortabel mogelijk te werken
  • Zet de wasmand op een fijne werkhoogte.
  • Zet de wasmand vlakbij de machine en ga op de knieën zitten.
  • Stel de strijkplank op de juiste hoogte in.
  • Berg het textiel niet te hoog op.


Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Praktijk opdracht
Wie?
Twee-tal
Wat ga je doen?
Wassorteren, was vouwen en handwassen 
Hoe?

Per ronde krijgen jullie 5 minuten om de handeling uit te voeren. Werkkaart staat bij elke station. 
Je bent klaar als:
Je hebt je werk gecontroleerd. Heb je alle stappen gedaan? 
Je hebt een groen licht van je docent om naar de volgende station te gaan of om op te ruimen. 
Ben je klaar?  
Facet onderdeel A en B / Eindexamensite M&O
Rekenboek

Slide 30 - Tekstslide

Ben je eerder klaar met de les, neem echt de tijd om examentraining met de leerlingen te doen of rekenen! 
Aan de slag 
maak opdracht 1.1 + 1.2 + 1.3 uit de reader
klaar? 

  • Ga zelfstandig werken aan Simulise of
  • Oefenen met Facet 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

als je op je ergonomie let bij het strijken, dan let je op...
A
de stand van het strijkijzer
B
de hoogte van de strijkplank
C
het behandelingsetiket van het wasgoed
D
dat je je niet verbrand aan het strijkijzer

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sleep het wasmiddel naar de juiste foto.

Slide 34 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voor welke was is dit wasmiddel?
A
Fijne was
B
Witte was
C
Donkere was
D
Bonte was

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk wasmiddel gebruik je om dit wasgoed te wassen?
A
bontwasmiddel
B
witwasmiddel
C
fijnwasmiddel
D
wolwasmiddel

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de winkel kun je veel soorten wasmiddelen kopen.
Match de wasmiddelen uit de linker kolom met de wasprogramma's uit de rechterkolom.

donkerbont
handwas
fijne was
witte was
fijnwasmiddel
wasmiddel met bleekmiddel
wasmiddel zonder bleekmiddel
wolwasmiddel

Slide 37 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de beste volgorde om te strijken
A
Van donker naar licht
B
Van heet naar lauw
C
Van lauw naar heet
D
Van licht naar donker

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke stoffen mag je heet strijken (3 stipjes)
A
katoen, linnen en viscose
B
acryl, nylon
C
wol
D
polyester, fleece

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe moet je deze trui strijken?
A
Je mag de trui niet strijken
B
Lauw strijken
C
Warm strijken
D
Heet strijken

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een strijkmachine is vooral geschikt voor:
A
kleding met plooien zoals broeken.
B
kleding die erg gekreukeld is
C
moeilijk te strijken kleding zoals blouses.
D
platgoed zoals theedoeken of lakens.

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar begin je mee als je gaat strijken?
A
het pakken van de strijkplank
B
of je het textiel wel gestreken mag worden
C
het pakken van het strijkijzer
D
het maakt niet uit waar je mee begint

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

als je op je ergonomie let bij het strijken, dan let je op...
A
de stand van het strijkijzer
B
de hoogte van de strijkplank
C
het behandelingsetiket van het wasgoed
D
dat je je niet verbrand aan het strijkijzer

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Strijk je Nylon en Synthetische stoffen op een hoge of lage temperatuur?
A
Hoog
B
Laag

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar moet je om denken als je de was gaat strijken?
A
Altijd over ritsen of knopen strijken.
B
Kleding met opdrukken binnenstebuiten strijken.
C
De was op de grond laten hangen.
D
De strijkplank op de verkeerde hoogte instellen.

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

    Begrippen uit deze les
  • Textiel 
  • Natuurlijke grondstof 
  • Kunstmatige grondstof
  • Synthetisch 
  • Samenstellingsetiket 
  • Behandelingsetiket 
  • Dosering 
  • Vezels
  • Geconcentreerd  

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

       Terugkijken op            de leerdoelen
Je kan: 
  • herkent je verschillende soorten was en weet wat de wassymbolen op een etiket betekenen.(R)
  • sorteert je kleding correct op kleur en materiaal en kiest het juiste wasprogramma aan de hand van het etiket. (T1)
  • je gebruikt kennis van etiketten om een passend wasadvies te geven voor een onbekend kledingstuk.. (T2)
  • uitleggen waarom verkeerd sorteren of een verkeerd wasprogramma schade aan kleding kan veroorzaken. (I)

Slide 47 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   

Exit ticket
Wat kan je de volgende keer beter doen ? 

Slide 48 - Open vraag

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.

Slot

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies