1.1 Weer of klimaat

1.1 Weer of klimaat?
Telefoon in telefoontas.
Neem deel aan de lessonup.
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

1.1 Weer of klimaat?
Telefoon in telefoontas.
Neem deel aan de lessonup.

Slide 1 - Tekstslide

Deze les:
  • Uitleg 1.1 Weer en klimaat

-Je weet uit welke weerselementen het weer bestaat.
-Je begrijpt hoe luchtdrukverschillen ontstaan en hoe de kringloop van het water werkt.
-Je kunt in de atlas gebieden aanwijzen waar stuwingsregens voorkomen.


Slide 2 - Tekstslide

Wat is weer?

Slide 3 - Woordweb

Wat is klimaat?

Slide 4 - Woordweb

Weer
Weer = De toestand van de atmosfeer (dampkring) op een bepaald moment in een bepaald gebied.
Weerselementen
Dit zijn:
  • temperatuur
  • neerslag
  • wind
  • bewolkingsgraad
  • luchtdruk

Slide 5 - Tekstslide

Weerelementen

weerelementen:
Temperatuur      Thermometer in graden Celsius   
Neerslag               Regenmeter in millimeter
Luchtdruk             Barometer in hPa
Wind                       Windmeter in Beaufort
Bewolking            

(Zonlicht wordt in een weerbericht vaak aangeduid door 
zonkracht of uv-straling. De zonkracht is een maat voor de 
hoeveelheid uv-straling in het zonlicht dat de aarde 
bereikt. Als het bewolkt is, is de zonkracht kleiner.)

Slide 6 - Tekstslide

Bewolkingsgraad
Bewolkt = 100% bewolkingsgraad
Hoe hoger de bewolkingsgraad des te minder uv-straling de aarde kan bereiken.
UV-straling
UV-straling = Ultraviolette straling, een onderdeel van zonlicht (zonnestraling).
  • schadelijk voor je huid
  • uv-index (maat voor hoeveelheid zonnestraling.
uv-index

Slide 7 - Tekstslide

Weer
Klimaat
Klimaat = Het gemiddelde weer over een langere periode (30 tot 40 jaar) in een bepaald gebied.

Slide 8 - Tekstslide

Klimaatfactoren

1. Breedteligging: De afstand tot de evenaar. Hoe verder van de evenaar, hoe lager de gemiddelde temperatuur.
2. Hoogteligging: Boven zeeniveau; hoe hoger, hoe kouder. Ook het reliëf valt onder de hoogte-
ligging. 
3. Gesteldheid van het aardoppervlak: Het soort oppervlak dat de zon verwarmt. Land warmt sneller op dan water, maar koelt ook sneller af. 
4. Afstand tot de zee: Of de zee brengt koude vochtige lucht met zich mee (bijvoorbeeld in de zomer) of warmere lucht (in de winter).
5. Wind/Oceaanstromen: De aanvoer van warme, koude of vochtigheid van elders, door wind- en oceaanstromingen. 

Slide 9 - Tekstslide

Gesteldheid van het aardoppervlak
Water neemt warmte langzaam op, maar koelt ook langzaam af.
Land wordt sneller warm en sneller koud dan water.

De afstand tot de zee of een ander groot wateroppervlak
Een gebied bij zee ontvangt met een wind vanaf zee:
- vochtige lucht waar veel neerslag uit valt.
- koele wind in de zomer
- warme wind in de winter

Slide 10 - Tekstslide

Regel
Wind en zeestromen transporteren warmte vanaf de evenaar en kou vanaf de poolstreken.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Slide 13 - Tekstslide