Verwijswoorden, formuleren

Verwijzen

'Het meisje dat daar loopt.'
of
'Het meisje die daar loopt.'?
Paragraaf 2.4 deel 2
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Verwijzen

'Het meisje dat daar loopt.'
of
'Het meisje die daar loopt.'?
Paragraaf 2.4 deel 2

Slide 1 - Tekstslide

Planning

  • Korte activiteit
  • Instructie
  • Werken
  • Afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

Spelen met woorden: raadsels
Geef iedereen de kans om het raadsel op te lossen: roep je geen antwoorden door de klas, maar doe je het in je hoofd.
  • Lees eerst het raadsel en probeer hem in je hoofd op te lossen (schrijf je antwoord eventueel even in je schrift op)
  • Schrijf je antwoord in de volgende sheet.
  • Denk aan hoofdletters en leestekens.

Slide 3 - Tekstslide

Er is een woord verkeerd gespeld in het woordenboek.
Welk woord is dat?

Slide 4 - Woordweb

Verkeerd

Slide 5 - Tekstslide

Ik kan een kamer vullen, maar gebruik geen ruimte.

Slide 6 - Woordweb

Licht

Slide 7 - Tekstslide

Wat begint met een t, eindigt met een t en heeft een t in zich?

Slide 8 - Woordweb

Theepot

Slide 9 - Tekstslide

Schrijf drie dingen op die je van de vorige lesstof/oefeningen hebt onthouden.

Slide 10 - Woordweb

Lesdoel:
Aan het einde van deze les:
  • weet je hoe je verwijswoorden juist gebruikt;
  • weet je hoe je weet of een woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is;
  • weet je wanneer je ‘die’, ‘dat’ en ‘wat’ gebruikt.

Slide 11 - Tekstslide

Waar denk je aan bij verwijzen?
Schrijf drie verwijswoorden op.

Slide 12 - Woordweb


De jongen koopt een fiets. De jongen fietst op zijn fiets naar huis. De jongen laat zijn fiets zien aan zijn moeder. De jongen is blij met zijn fiets.
Verwijswoorden 
Hoe leest dit en/of wat valt je op?
Antwoord in de volgende sheet invullen.

Slide 13 - Tekstslide

Verwijswoorden
Hoe leest dit en/of wat valt je op?

Slide 14 - Woordweb

De jongen koopt een fiets. Hij fietst erop naar huis. Hij laat hem zien aan zijn moeder. De jongen is er blij mee.
Verwijswoorden

Slide 15 - Tekstslide

Helder en afwisselend

Het juiste gebruik van verwijzingen past bij een zorgvuldige stijl. Correcte verwijzingen maken een tekst helder: ze helpen de lezer om de tekst goed te begrijpen. Bovendien zorgen verwijzingen voor afwisseling in een tekst.
Het kiezen van de juiste verwijzing is niet eenvoudig. Verkeerde en onduidelijke verwijzingen behoren tot de meest gemaakte taalfouten.


Slide 16 - Tekstslide

Passend bij het antecedent

Verwijzingen verwijzen naar een woord of naar een groep woorden: het antecedent. De verwijzing en het antecedent moeten bij elkaar passen. 
• Naar het-woorden verwijs je met:
het, dit, dat, zijn.
• Naar de-woorden verwijs je met:
hij, deze en zijn (mannelijk),
zij, ze, die en haar (vrouwelijk).
• Naar meervoudsvormen verwijs je met: ze, die of hun.

Slide 17 - Tekstslide

Voorbeelden
• Ik vind dat softdrugs (meervoud) verboden moeten worden, in Frankrijk mogen ze ook niet verkocht worden. --> • Naar meervoudsvormen verwijs je met: ze, die of hun.

• De regering (enkelvoud, vrouwelijk) is geïnstalleerd, ze gaat meteen aan de slag. --> zij, ze, die en haar (vrouwelijk).

• De directie (vrouwelijk) zou haar beleid moeten bijstellen. --> zij, ze, die en haar (vrouwelijk).

• Het bureau (het-woord) dat je daar ziet staan, is nog van Napoleon geweest. --> Naar het-woorden verwijs je met:
het, dit, dat, zijn.

• Waar zijn mijn schoenen (meervoud)? Ze / Die liggen op je kamer. --> • Naar meervoudsvormen verwijs je met: ze, die of hun.



Slide 18 - Tekstslide

Mannelijk, vrouwelijk en onzijdig

Het grammaticale geslacht van de-woorden is mannelijk of vrouwelijk. Het grammaticale geslacht van het-woorden is onzijdig. Naar de-woorden verwijs je dus met ‘zijn’, ‘hem’ en ‘hij’ (mannelijk) of met ‘haar’ en en ‘ze’/’zij’ (vrouwelijk). Naar het-woorden verwijs je met ‘zijn’ en ‘het’. Wanneer je niet weet of een woord mannelijk of vrouwelijk is, kun je dat opzoeken in het woordenboek. Achter ieder woord staat het geslacht vermeld met de afkortingen (m), (v) of (o):
• De auto (m) stond open met de sleutel in het slot. Iedereen had hem zo kunnen meenemen.
• De directie (v) heeft besloten tot ijsvrij. Zij licht haar standpunt toe op de vergadering.
• Het kozijn (o) heeft weer een opknapbeurt nodig. We gaan het eerst schuren en daarna schilderen.
• De vereniging (v) heeft problemen met haar voorzitter.
• De raad (m) heeft problemen met zijn voorzitter.
• Het bestuur (o) heeft problemen met zijn voorzitter.




Slide 19 - Tekstslide

Die, dat en wat

‘Die’ en ‘dat’ worden nogal eens door elkaar gehaald. ‘Die’ verwijst naar de-woorden, ‘dat’ verwijst naar het-woorden: 
• De e-mail die ik had geschreven, was zeker aangekomen.
• Het meisje, dat we laatst nog hadden gezien, is verhuisd.
Je schrijft ‘wat’ als je verwijst naar een hele zin of naar zaken die onbepaald of vaag zijn:
• Dit is iets wat ik nog wil leren.
• We reden ’s avonds naar huis, wat wel handig was.
• Ik schreef heel snel, wat wel moest omdat ik het anders niet afkreeg.





Slide 20 - Tekstslide

Die, dat en wat

Na een ‘het woord’ gebruik je ‘dat’ en geen ‘wat’. Dit gaat nog al eens fout:
• Het doelpunt wat gescoord werd, bleek de winnende treffer te zijn.
• Het doelpunt dat gescoord werd, bleek de winnende treffer te zijn.
• Je moet het boek wat je gelezen hebt samenvatten in eigen woorden.
• Je moet het boek dat je gelezen hebt samenvatten in eigen woorden.






Slide 21 - Tekstslide

Altijd vrouwelijk

Aan een ‘de-woord’ kun je meestal niet zien of het mannelijk of vrouwelijk is. Maar soms wel. 
Een woord dat eindigt op een van deze achtervoegsels is altijd vrouwelijk: 
-heid, -nis, -ing, -st, -schap, -te, -ij, -ie,-iek, -ica, -theek, -teit, -tuur, -ade, -ide, -ode, -ude, -age, -ine, -se, -ee, -ose, -xis.

De woorden overheid, gevangenis, ontmoeting, last, vriendschap, breedte, bakkerij, justitie, systematiek, logica, discotheek, kwaliteit, frituur en olympiade zijn dus vrouwelijk.







Slide 22 - Tekstslide

Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

De koningin
A
mannelijk
B
vrouwelijk
C
onzijdig

Slide 23 - Quizvraag

Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

Duitsland
A
mannelijk
B
vrouwelijk
C
onzijdig

Slide 24 - Quizvraag

Werk voor deze en de volgende les + huiswerk: Alvast aan het werk? 
  • je begrijpt de lesstof/theorie voldoende (je kunt het groene theorieblok uit je boek gebruiken als ondersteuning) 
  • je werkt in stilte en je mag niet praten of overleggen en geen vragen stellen
  • je bent echt aan het werk!
Klaar = in stilte lezen of werken aan een ander vak

paragraaf 2.4: deel 2, opdracht 1 t/m 8
+ nakijken en verbeteren met een andere kleur!
Wat niet af is = huiswerk
Stel de volgende les vragen over fouten die je niet begreep!

Slide 25 - Tekstslide

Met een verwijswoord wijs je terug naar een of meer woorden die eerder genoemd zijn, het antecedent. 
Vaak is dit iets (een antecedent) de kern van een zinsdeel.
Als je verwijst, houd je rekening met het geslacht en het getal van de kern.
Verwijswoorden

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

  • Namen van landen, provincies, steden en clubs 
  • Verkleinwoorden
Onzijdige woorden - Het-woorden 

Slide 28 - Tekstslide

De woorden zijn mannelijk of vrouwelijk.
Vrouwelijk zijn:
  • vrouwelijke dieren of personen
    • de-woorden met de volgende uitgangen
Vrouwelijke woorden



Slide 29 - Tekstslide

Mannelijke woorden

  • Alle de-woorden die niet vrouwelijk zijn, zijn mannelijk.
  • Als je van een woord niet kunt vaststellen of het mannelijk of vrouwelijk is, mag je het beschouwen als mannelijk.

Slide 30 - Tekstslide

In het kort:
Ezelsbruggetje
voor de/het:


Deze en die gebruik je bij de-woorden
Dit en dat gebruik je bij het-woorden



Slide 31 - Tekstslide

Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

De apotheek
A
mannelijk
B
vrouwelijk
C
onzijdig

Slide 32 - Quizvraag

Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig?

De tafel
A
mannelijk
B
vrouwelijk
C
onzijdig

Slide 33 - Quizvraag

Het verwijswoord hen gebruik je als lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz). 
Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp (mv).


Verwijswoorden - hen/hun

Slide 34 - Tekstslide

Hen of hun
De woorden 'mijn' en 'hun' zijn bezittelijke voornaamwoorden.
--> Er staat altijd een woord achter voor iets waar ik of zij de eigenaar van zijn.

 De woorden 'mij' en 'hen' zijn persoonlijke voornaamwoorden.


Slide 35 - Tekstslide

Anita’s ouders wonen vlakbij en ze bezoekt hen vaak. Ze neemt dan iets lekkers voor hen mee en bezorgt hun een 
gezellige middag.
Verwijswoorden - hen/hun

Slide 36 - Tekstslide

De vereniging vraagt ........................ leden om een gift ................ gebruikt zal worden voor zieke kinderen.
zijn
haar
dat
die
hun
zij

Slide 37 - Sleepvraag

De meeste mensen hechten aan .......... vrije weekend.
A
het
B
hun
C
zijn
D
hen

Slide 38 - Quizvraag

Werk voor deze en de volgende les + huiswerk: Alvast aan het werk? 

    paragraaf 2.4: deel 2, opdracht 1 t/m 8
    + nakijken en verbeteren met een andere kleur!
    Wat niet af is = huiswerk
    Stel de volgende les vragen over fouten die je niet begreep!

    Klaar = in stilte lezen of werken aan een ander vak

    timer
    15:00

    Slide 39 - Tekstslide

    Lesdoel:
    Aan het einde van deze les:
    • weet je hoe je verwijswoorden juist gebruikt;
    • weet je hoe je weet of een woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is;
    • weet je wanneer je ‘die’, ‘dat’ en ‘wat’ gebruikt.

    Slide 40 - Tekstslide

    Ik weet wat verwijswoorden zijn en hoe ik deze correct moet gebruiken.
    😒🙁😐🙂😃

    Slide 41 - Poll

    Slide 42 - Tekstslide

    Reflectie:
    Wat ging bij jou goed tijdens deze les?
    Wat kan nog iets beter?

    Slide 43 - Open vraag

    Feedback:
    Wat vond je fijn/goed aan deze les?
    Wat zou je liever anders willen zien?

    Slide 44 - Open vraag