Oefentoets 4: SER-ESTAR-PRESENTE PERFECTO - VOCABULARIO

¡Bienvenidos a la clase de español!
Capítulo 6: Verano en Cádiz 
Gaudí
1 / 60
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 60 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos a la clase de español!
Capítulo 6: Verano en Cádiz 
Gaudí

Slide 1 - Tekstslide

La clase de hoy: De les vandaag

La meta de la clase: het doel van les
Het kunnen gebruiken van de werkwoorden “Hay, Ser en Estar”. En je kunt minimaal drie werkwoorden herkennen.

Actividades: Grammaticale regels!!
- Jullie oefenen met de woordenschat.
- Jullie oefenen met de vervoeging van "ser-estar" "Presente". 
- Jullie oefenen met het werkwoord "hay".
- Jullie oefenen met de  "Presente perfecto".
                                                                    

Slide 2 - Tekstslide

1. SER/ESTAR/HAY

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Kies hay, son of están:
Mis padres __________ en Rotterdam.

Slide 5 - Open vraag

Hay, Ser of estar?

Mi padre ___________ en la cocina.
A
hay
B
está
C
es

Slide 6 - Quizvraag

Kies uit hay/estar/ser

Isabella y yo ___________ en la calle.
A
hay
B
estamos
C
estáis
D
sois

Slide 7 - Quizvraag

Kies hay, ser of estar:
Brenda y yo ___________ amigas.

Slide 8 - Open vraag

¿Hay, estar o ser?

La casa ___________ muy bonita
A
hay
B
es
C
está
D
eres

Slide 9 - Quizvraag

Kies hay, ser of estar:
"_________ muchas bicicletas en Holanda".

Slide 10 - Open vraag

¿Hay, Ser o Estar?
"En el bosque no ___________ casas".
A
están
B
son
C
hay
D
estar

Slide 11 - Quizvraag


Mi tío ___ muy alto. 
A
es
B
está

Slide 12 - Quizvraag


Tú ___ chino. 
A
eres
B
estás

Slide 13 - Quizvraag


Yo ___ Julio. 
A
soy
B
estoy

Slide 14 - Quizvraag


Diana ___ en Madrid. 
A
es
B
está

Slide 15 - Quizvraag

Ser of estar?
beroep
A
ser
B
estar

Slide 16 - Quizvraag

¿Ser of Estar?
locatie
A
ser
B
estar

Slide 17 - Quizvraag

hay, ser of estar
Enfrente de mi casa .............. un supermercado.
A
es
B
hay
C
está

Slide 18 - Quizvraag

Ik weet wanneer ik "hay, Ser en Estar" moet gebruiken
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll

2. Presente perfecto 

Slide 20 - Tekstslide


De presente perfecto bestaat uit _____ onderdelen. Schrijf het juiste getal op.

Slide 21 - Open vraag

hemos 
has 
habéis 
he 
han 
ha 
Yo 
él
Nosotros
Vosotros
Ellas

Slide 22 - Sleepvraag

A. Nunca he estado en Francia.
B. Ayer he bebido una cerveza.
C. Mañana hemos visitado a mi abuela.
D. Hoy hemos conocido Barcelona desde las montañas.

In welke zinnen is de presente Perfecto CORRECT gebruikt?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 23 - Quizvraag

Welke 4 onregelmatige werkwoorden ken je in de presente perfecto""?

Slide 24 - Open vraag

Presente perfecto:
Kies de juiste vorm van comer-yo
A
he comido
B
hemos comido
C
has comido
D
habéis comido

Slide 25 - Quizvraag

Presente perfecto/voltooid tegenwoordige tijd.
VIAJAR -> ELLA
A
viaja
B
ha viajado
C
viajan
D
han viajado

Slide 26 - Quizvraag

Vervoeg het volgende werkwoord in de presente perfecto:

Yo (comer) ........ ......... un bocadillo.

Slide 27 - Open vraag

Vervoeg het volgende werkwoord in de presente perfecto:

Pedro y Jesus (visitar) ........ ......... Cadiz.

Slide 28 - Open vraag

Vervoeg het volgende werkwoord in de presente perfecto:

Mi amiga y yo (ver) ........ ....... la nueva pelicula de Avengers.

Slide 29 - Open vraag

He
Has
Ha
Hemos
Habéis
Han
ellos/ellas/ustedes
Nosotros
yo
vosotros
él/ella/usted

Slide 30 - Sleepvraag

Visto
abierto
escrito
dicho
roto
hecho
puesto
vuelto
hacer
volver
romper
escribir
ver
poner
abrir
decir

Slide 31 - Sleepvraag

De presente perfecto gebruik je om iets te vertellen over:
A
het heden
B
het verleden
C
de toekomst
D
alledrie

Slide 32 - Quizvraag

de "presente perfecto" maak je door...
A
een vorm van haber + stam ww + ado/ido
B
een vorm van ir + a + hele ww
C
een vorm van estar + stam ww + ando/iendo
D
een vorm van tener + ado

Slide 33 - Quizvraag

Vervoeg in de perfecto:
Tú (hacer)
A
he hacido
B
ha hacido
C
has hacho
D
has hecho

Slide 34 - Quizvraag

Welk woord past in de zin?
Mañana vamos a______.
A
el verano
B
la playa
C
poner
D
bienvenido

Slide 35 - Quizvraag

Vervoeg het volgende werkwoord in de presente perfecto:

María (escribir) ...... ....... una carta a su familia.

Slide 36 - Open vraag

Vervoeg het volgende werkwoord in de presente perfecto:

José, ¿(decir) ........ ......... algo a tu madre?

Slide 37 - Open vraag

8. welke zin staat NIET in de "presente perfecto"
A
Mi amigo ha vivido en Madrid
B
Nunca he visitado el museo del Prado
C
Juan y Rosa comen un bocadillo con queso
D
Mi familia y yo hemos visto una peli (pelicula)

Slide 38 - Quizvraag

Zet in de presente perfecto.
Ik heb gegeten.

Slide 39 - Open vraag

Vertaal met de perfecto:
"wij hebben geopend"
A
hamos abrido
B
hemos abierto
C
hemos abrido
D
hamos abierto

Slide 40 - Quizvraag

Ik weet hoe ik "de presente perfecto" moet vervoeging
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll

3.Frases clave 

Slide 42 - Tekstslide

Vertaal naar het Nederlands. TB. bron J capítulo 6
1. ¿Te gusta jugar al tenis?
2. ¿Sabes surfear?
3. ¿Hace buen tiempo en la playa?
4. Entonces, ¿vamos a surfear juntos?
5. ¿Hay una fiesta en la playa esta noche?
6. ¿Vas a llevar algo para beber?

Slide 43 - Open vraag

3.Vocabulario

Slide 44 - Tekstslide

Vocabulario:  sleep de juiste combinaties naar elkaar toe
las montañas
la primavera
el móvil
el invierno
el verano
el otoño
el viento
la toalla

Slide 45 - Sleepvraag

Tekst
la estrella
la iglesia
la tienda
reír
dormir
llover
la camiseta
la puesta del sol

Slide 46 - Sleepvraag


Voy a la playa. 
Noem drie Spaanse dingen + lidwoord die je normaalgesproken meeneemt.

Slide 47 - Open vraag


Estoy en la playa. 
Noem twee Spaanse activiteiten die je daar normaalgesproken doet.

Slide 48 - Open vraag


Schrijf de 3 juiste woorden op + lidwoord. 
Dag delen: _____, _____ y _____.

Slide 49 - Open vraag


Schrijf het juiste Spaanse woord op. 
Llueve mucho. Hay que llevar un ______________. 

Slide 50 - Open vraag

schrijf het voltooid deelwoord op van:
llover

Slide 51 - Open vraag


En mi bolso tengo... 
Noem drie Spaanse dingen + lidwoord

Slide 52 - Open vraag


Deportes 
Noem twee Spaanse balsporten.

Slide 53 - Open vraag

5. Leesvaardigheid 

Slide 54 - Tekstslide

Slide 55 - Tekstslide

1. Madrid es una ciudad pequeña y antigua.
A
verdadero
B
falso

Slide 56 - Quizvraag

2. Los transportes públicos de Madrid son viejos y caros.
A
falso
B
verdadero

Slide 57 - Quizvraag

3. En Madrid no hay Metro
A
falso
B
verdadero

Slide 58 - Quizvraag

4. A los turistas les gusta la playa.
A
falso
B
verdadero

Slide 59 - Quizvraag

Reflecteer op jouw inzet deze les. - Hoe heb je deze les gewerkt?
A
Ik heb echt goed mee gedaan.
B
Ik ben tevreden, maar ik had wel beter mijn best kunnen doen.
C
Mwaoh, niet zo heel goed.
D
Werken? Wat moesten we dan doen deze les?

Slide 60 - Quizvraag