8. Het weer

Temperatuur
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo b, k, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Temperatuur

Slide 1 - Tekstslide

Temperatuur
  • Temperatuur is een maat voor de beweging van de deeltjes.
  • Voeg je warmte (energie) toe dan bewegen de deeltjes sneller en gaat de temperatuur omhoog.

  • De temperatuur op aarde wordt vooral bepaalt door de straling van de zon

  • seizoenen 
  • Temperatuur zegt iets over de snelheid waarmee de kleinste deeltjes (atomen/moleculen) bewegen
    (klik hier)

  • Hoe sneller de deeltjes bewegen, hoe hoger de temperatuur

Slide 2 - Tekstslide

Temperatuur meten (1)
  • Buitentemperaturen worden gestandaardiseerd gemeten
  • 1,5 meter boven de grond
  • wind kan erbij
  • regen en zonnestraling niet

Slide 3 - Tekstslide

Temperatuur meten (2)
vloeistofthermometer
  • Het meten van temperatuur berust vaak op het uitzetten van stoffen bij stijgende temperatuur

  • Een vloeistofthermometer
  • Een glazen buisje met een reservoir
  • Een vloeistof in het reservoir
  • Omdat de vloeistof meer uitzet dan het glas
    zal bij stijgende temperatuur de vloeistof in
    het buisje stijgen

  • Een bimetaalthermometer
  • Twee verschillende metalen ..
  • .. die niet evenveel uitzetten,
  • daardoor trekt het bimetaal krom

  • Digitale thermometer
  • Temperatuur-afhankelijke weerstand ...
  • ... altijd met een batterij
bimetaalthermometer
digitale thermometer

Slide 4 - Tekstslide

Temperatuur meten (3)
  • Er zijn verschillende eenheden voor temperatuur
  • De bekendste en meest gebruikte is de schaal van Celsius

  • Als ijs smelt verandert de temperatuur niet
  • Celsius noemde dit 0oC
  • Als water kookt verandert de temperatuur ook niet
  • Celsius noemde dit 100oC

  • Daartussen verdeelde hij de schaal in 100 gelijke stukjes
Celsius hoe dan ....
Celsius schaal

Slide 5 - Tekstslide

Temperatuur meten (4)
  • Naast de Celsius-schaal gebruiken we in de
    wetenschap vaak de schaal van Kelvin
  • Eerder heb je geleerd dat deeltjes bij lagere temperaturen minder snel bewegen

  • Wat nu als alle kleine deeltjes stil staan?
  • Juist!
    Dan kan de temperatuur niet verder zakken.

  • Kelvin ontdekte dat dit het geval is bij een temperatuur van: -273,14 oC (brr koud)

  • Dit noemde hij 0 Kelvin

  • omrekenen:
    graden Celsius + 273 = Kelvin
    Kelvin -273 = graden celsius
Kelvin en Celsius

Slide 6 - Tekstslide

Sommige stoffen vallen bij hoge temperaturen uit elkaar
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Temperatuur is een maat voor de snelheid van de kleinste deeltjes

A
waar, hoe hoger de snelheid hoe hoger de temperatuur
B
waar, hoe hoger de snelheid hoe lager de temperatuur
C
niet waar, de kleinste deeltjes bewegen allemaal met andere snelheden
D
niet waar, kleinste deeltjes hebben altijd dezelfde snelheid

Slide 8 - Quizvraag

Temperatuur meet je met een thermometer

A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quizvraag

De beste meting krijg je altijd met een digitale thermometer

A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

De beste meting krijg je als de eenheid Kelvin gebruikt

A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

100 graden Celsius = 212 graden Fahrenheit

A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quizvraag

100 graden Celsius = 373 Kelvin

A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quizvraag

De laagst mogelijke temperatuur is -273 graden Celsius

A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quizvraag

De laagst mogelijke temperatuur is 0 Kelvin

A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quizvraag

Wolken en neerslag

Slide 16 - Tekstslide

Deeltjes en fasen
water van beneden de 0 graden Celsius heeft een vaste vorm. Ijs.
  • Stoffen kunnen afhankelijk van de temperatuur in verschillende toestanden voorkomen. We noemen dit fasen. 
Als het ijs een temperatuur van boven de 0 graden krijgt smelt het. De fase wordt dan vloeibaar.
water van 100 graden kookt. De vloeibare fase gaat over in de gasfase.

Slide 17 - Tekstslide

Fasen en deeltjes
  • De fase waarin een stof zit wordt bepaald door de beweeglijkheid van de kleinste deeltjes (moleculen of atomen)

  • Hoe hoger de temperatuur hoe harder de deeltjes bewegen

  • Hoe harder de deeltjes bewegen hoe meer ruimte en vrijheid ze nodig hebben
gas
1
vloeibaar
2
vast
3

Slide 18 - Tekstslide

Fase-overgangen
Alle faseovergangen hebben hun eigen naam
Van vast naar vloeibaar = smelten
Van vloeibaar naar vast = stollen
Van vloeibaar naar gas = verdampen
Van gas naar vloeibaar = condenseren
Van vast naar gas = sublimeren (vervluchtigen)
Van gas naar vast = rijpen

Slide 19 - Tekstslide

De waterkringloop
Het water in de zee is vloeibaar.
Door de warmte van de zon verdampt het en wordt waterdamp (gas)
1
Als in hogere luchtlagen de temperatuur daalt condenseert het water weer (vloeibaar). Er ontstaan druppels die als ze zwaar genoeg zijn naar beneden vallen (regen)
2
Als het nog kouder wordt kan de waterdamp zelfs overgaan in de vaste vorm. Het gaat sneeuwen.
3
Sneeuw zal uiteindelijk weer ontdooien (smelten) en met het regenwater via beekjes en rivieren terugstromen naar de zee.
4

Slide 20 - Tekstslide

Vormen van neerslag
vormen van neerslag
opbouw atmosfeer

Slide 21 - Tekstslide

De overgang van vloeibaar naar vast heet .....
A
smelten
B
stollen
C
rijpen
D
bevriezen

Slide 22 - Quizvraag

De overgang van vast naar gas heet .....
A
smelten
B
stollen
C
rijpen
D
vervluchtigen

Slide 23 - Quizvraag

De overgang van vloeibaar naar gas heet .....
A
smelten
B
koken
C
condenseren
D
verdampen

Slide 24 - Quizvraag

Bij de waterkringloop heb je te maken met ....
A
verdampen en condenseren
B
verdampen, condenseren, smelten en stollen
C
smelten, stollen, vervluchtigen en rijpen
D
alle faseovergangen

Slide 25 - Quizvraag

Alle stoffen kunnen voorkomen in drie fasen
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quizvraag

De temperatuur zegt iets over de snelheid waarmee de deeltjes bewegen
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Hoe lager de temperatuur hoe sneller de deeltjes bewegen
A
waar
B
niet waar

Slide 28 - Quizvraag

Als alle deeltjes stil liggen heb je de laagst mogelijke temperatuur bereikt.
Dat is 273 graden onder 0.
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Wind

Slide 30 - Tekstslide

Luchtdruk
  • De luchtdruk wordt veroorzaakt door het gewicht van de luchtkolom
  • Dat lijkt niet veel misschien  ...
    ... want lucht weegt toch niets.
  • Toch is dat  boven ieder m
    100.000N 
  • dus 100.000 N/m2
  • dat is 100.000 Pa
  • of 1 bar (1000 mbar 0f 1000 hPa)

Slide 31 - Tekstslide

Wind
  • warmte stroomt van hoge naar lage temperatuur

  • Een bal rolt van een berg naar beneden

  • Lucht stroomt van hoge naar lage druk 



  • Op het Noordelijk halfrond  ..
  • .. met de klok mee rond een hogedrukgebied
  • .. tegen de klok in rond een lagedrukgebied

  • op het Zuidelijk halfrond precies andersom 
Maar niet in een rechte lijn

Slide 32 - Tekstslide

Luchtdruk meten
De luchtdruk wordt gemeten in mm kwik.

Hoeveel kwik kan in een vacuüm buis omhoog worden gedrukt?
De luchtdruk wordt gemeten in mbar.
(1 mbar = 100 Pa = 100 N/m2)

De deksel van een vacuüm doosje wordt ingedrukt.
Hieraan vast zit en wijzertje.

Slide 33 - Tekstslide

Druk meten
  • De druk van een afgesloten gas noem je ook wel de spanning.
  • Deze druk wordt gemeten t.o.v. de luchtdruk.
  • Is de druk van het gas hoger dan heb je een overdruk
  • Is de druk van het gas lager dan heb je een onderdruk
     
  • animatie

  • p*V = n*R*T 

Slide 34 - Tekstslide

Extreem weer en klimaatsverandering
  • De gemiddelde temperatuur op aarde stijgt langzaam door het versterkte broeikaseffect.
  • Door de klimaatverandering stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde. 
  • Als het warmer wordt ontstaan er grotere drukverschillen. 
  • Het gaat dan harder waaien. 
  • Bovendien verdampt er meer water.
    Er valt dus meer neerslag.

  • Door de temperatuurstijging zal .....
  • .... het zeewater uitzetten en ....
  • .... poolijs smelten.

  • Gevolg: stijging van de zeespiegel 

Slide 35 - Tekstslide

Onweer - donder en bliksem
  • Door plaatselijke opwarming kunnen er sterke stijgende luchtstromen ontstaan. 
  • Deze stuwen lucht met waterdamp omhoog. De waterdamp blijft condenseren zodat de wolk groeit.
  • Bovenin de wolk op zo’n 10 kilometer hoogte, ontstaat een afgeplatte ijskap. 
  • Dit type wolk zorgt voor extreem weer met hevige regenval, hagel, windstoten en onweer. 
  • Zo'n hoge wolk heet een onweerswolk.

Slide 36 - Tekstslide

Onweer - donder en bliksem (2)
  • Door de hoogte van de wolk en de sterke stroming van de lucht, kunnen de waterdruppeltjes en ijskristalletjes langs elkaar gaan bewegen. 
  • Hierdoor wordt de wolk elektrisch geladen.
  • De ontlading van de elektriciteit komt in de vorm van bliksem
  • De bliksemschicht verwarmt de lucht sterk. De lucht zet daardoor snel uit. Die uitzetting veroorzaakt een geluidsgolf: de donder

Slide 37 - Tekstslide

Weeralarm
  • groen:  waarschuwing
  • geel: gevaarlijk weer (bv. windstoten, gladheid)
  • oranje: extreem weer
  • rood: weeralarm (blijf thuis als dat kan)

Slide 38 - Tekstslide