les 1 woordsoorten

Woordsoorten
Bij grammatica kun ook de losse woorden in de zin benoemen. Ieder los woord hoort bij een woordsoort.

1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBasisschoolGroep 8

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woordsoorten
Bij grammatica kun ook de losse woorden in de zin benoemen. Ieder los woord hoort bij een woordsoort.

Slide 1 - Tekstslide

Woordsoortbenoeming
Woordsoorten zijn iets anders dan zinsdelen.
Soms vragen we je een woordsoort te benoemen, en soms een zinsdeel.

Slide 2 - Tekstslide

Woordsoorten
Een werkwoord is een woordsoort.

Wat zijn nog meer woordsoorten?

Slide 3 - Tekstslide

In deze les herhaal je
* lidwoorden
* zelfstandig naamwoorden
* bijvoeglijk naamwoorden
* telwoorden

Slide 4 - Tekstslide

Lidwoorden uitzonderingen
- Als je een uitspreekt als 1, is het geen lidwoord.

- Als het niet voor een zelfstandig naamwoord staat, is het geen lidwoord. 
Het regent
Het is gezellig
Het is al laat. 

Slide 5 - Tekstslide

Lidwoord (LW)

De, het = bepaald lidwoord.
Het is bepaald, staat vast, wanneer je de of het gebruikt.
  - de kast
   - het boek


Een = onbepaald lidwoord.
Onbepaald omdat je een zowel voor een de- als een het-woord kunt zetten.
- een kast

Slide 6 - Tekstslide

Bepaalde lidwoorden
Onbepaald lidwoord
  • Er zijn twee bepaalde   lidwoorden. DE, HET
  • Ze geven iets aan wat   voor jou duidelijk is.
  • Er is één onbepaald   lidwoord.
  • Het geeft iets algemeens   aan.
  • Onbepaald lidwoord: EEN.

Slide 7 - Tekstslide

Hoe veel lidwoorden zijn er?
A
2
B
3
C
5
D
4

Slide 8 - Quizvraag

Wat zijn lidwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 9 - Quizvraag


Een lidwoord...
A
staat altijd aan het begin van een zin
B
is bepaald (een) of onbepaald (de, het)
C
is bepaald (de, het) of onbepaald (een)
D
staat altijd direct voor het zn

Slide 10 - Quizvraag

Welk lidwoord is het onbepaald lidwoord?
A
de
B
het
C
een

Slide 11 - Quizvraag

HET waait enorm hard.
A = lidwoord
B = geen lidwoord
A
lidwoord
B
geen lidwoord

Slide 12 - Quizvraag

De topotoets is goed gemaakt.
A= geen lidwoord
B= lidwoord
A
geen lidwoord
B
lidwoord

Slide 13 - Quizvraag


HET is mij veel te koud!
HET = lidwoord
HET = geen lidwoord
A
lidwoord
B
geen lidwoord

Slide 14 - Quizvraag

HET is een hele grote geworden!
A = lidwoord
B = geen lidwoord
A
lidwoord
B
geen lidwoord

Slide 15 - Quizvraag

Een meisje zat verdrietig langs het zwembad
A= geen lidwoord
B= Lidwoord
A
geen lidwoord
B
lidwoord

Slide 16 - Quizvraag

HET sneeuwde heel hard!
A = lidwoord
B = geen lidwoord
A
lidwoord
B
geen lidwoord

Slide 17 - Quizvraag

Lidwoord en zelfstandig naamwoord
Het zelfstandig naamwoord

Slide 18 - Tekstslide

Zelfstandige naamwoorden
Woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten, noem je zelfstandige naamwoorden (znw).

Namen zijn ook zelfstandige naamwoorden. Suzanne en Zwolle zijn dus zelfstandige naamwoorden.

Slide 19 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord
  • Een zelfstandig naamwoord komt altijd ACHTER het lidwoord.
- De computer 
De = lidwoord. Computer = zelfstandig naamwoord
- Het kopje
Het = lidwoord. Kopje = zelfstandig naamwoord.
- Een vogelhuisje
Een = lidwoord. Vogelhuisje = zelfstandig naamwoord.
                                       Lidwoord en zelfstandig naamwoord horen dus bij elkaar!! 

Slide 20 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord
Voorbeeld: de kamer

Je kan een zelfstandig naamwoord verkleinen:
Het kamertje 
Je kan een zelfstandig naamwoord in meervoud en enkelvoud zetten:

Slide 21 - Tekstslide

Wat is geen zelfstandig naamwoord?
A
Verdriet
B
Hond
C
Rommelig
D
Batterij

Slide 22 - Quizvraag

Wat is GEEN zelfstandig naamwoord?
A
Calvin
B
huis
C
praat
D
oplader

Slide 23 - Quizvraag

De lynx bevindt zich vooral in uitgestrekte gebieden, zoals in Scandinavië.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden in deze zin?
A
Lynx , uitgestrekte Scandinavië
B
Lynx en Scandinavië
C
Scandinavië
D
Lynx, gebieden, Scandinavië

Slide 24 - Quizvraag

         Bijvoeglijk naamwoord
                     en
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

Slide 25 - Tekstslide

Bijvoeglijke naamwoorden
Wat weet je nog van bijvoeglijke naamwoorden?

Slide 26 - Tekstslide

Het Bijvoeglijk naamwoord
--> Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
De grote beer een de ijskoude vis op. 

Slide 27 - Tekstslide

bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

Je weet door een bijvoeglijk naamwoord meer over het zelfstandig naamwoord.


Slide 28 - Tekstslide

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord


'rood' is een 'gewoon' bijvoeglijk naamwoord. 
'plastic' is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord - zo noemen we bijvoeglijk naamwoorden die een materiaal beschrijven

Slide 29 - Tekstslide

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden NIET op -en:
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden WEL op -en:

Slide 30 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord

Slide 31 - Tekstslide

Wat is een
bijvoeglijk naamwoord?
A
Dat zijn namen van mensen, dieren of dingen.
B
Dat zegt iets over zelfstandige naamwoorden.
C
Dat is een werkwoord.
D
Dat zegt iets over het onderwerp.

Slide 32 - Quizvraag

wat is een bijvoeglijk naamwoord?
A
aardappel
B
het
C
geweldige
D
gescoord

Slide 33 - Quizvraag


Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden?
A
zonnige
B
dag
C
zonnige , leren
D
leren

Slide 34 - Quizvraag

De zenuwachtige astronauten dragen speciale katoenen pakken.
A
Katoenen
B
zenuwachtige, speciale, katoenen
C
Zenuwachtige , katoenen
D
speciale en katoenen

Slide 35 - Quizvraag

TELWOORDEN

Slide 36 - Tekstslide

Telwoorden
Wat is een telwoord?
Een telwoord is een woord dat een hoeveelheid of een volgorde aangeeft.

Slide 37 - Tekstslide

Telwoorden
Een telwoord is een woord dat een aantal of een volgorde weergeeft.
Er zijn twee soorten telwoorden: hoofdtelwoorden en rangtelwoorden.
Beide soorten telwoorden kun je weer onderverdelen in bepaalde- en onbepaalde telwoorden.

Slide 38 - Tekstslide

Telwoord

Slide 39 - Tekstslide

Telwoorden
Bepaald
Onbepaald
Hoofdtelwoord
precies aantal
zeven, duizend
onprecies aantal
veel, alles, weinig
Rangtelwoord
precieze plek in rij
dertiende, miljoenste
onprecieze plek in rij
middelste, zoveelste

Slide 40 - Tekstslide


De hoogte van het kunstwerk is achtenvijftig centimeter.
A
rangtelwoord
B
hoofdtelwoord
C
bepaald
D
onbepaald

Slide 41 - Quizvraag

Welke woordsoort is 'tweede'?
A
Rangtelwoord
B
onbepaald
C
bepaald
D
hoofdtelwoord

Slide 42 - Quizvraag

Telwoord: 10
A
Bepaald hoofdtelwoord
B
Onbaald hoofdtelwoord
C
Bepaald rangtelwoord
D
Onbepaald rangtelwoord

Slide 43 - Quizvraag

Telwoord 'zoveelste' is een...
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 44 - Quizvraag

Telwoord 'veel' is een...
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 45 - Quizvraag

Telwoord 'vijfde' is een...
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 46 - Quizvraag

Wat is het onbepaald telwoord?
Hij heeft drie doelpunten gescoord in zijn laatste wedstrijd.
A
heeft
B
drie
C
gescoord
D
laatste

Slide 47 - Quizvraag

Ik kan deze woordsoorten goed uit mijn hoofd.
0100

Slide 48 - Poll

Met deze woordsoorten moet/ wil ik nog oefenen
lidwoorden
zelfstandig naamwoorden
bijvoeglijk naamwoorden
telwoorden

Slide 49 - Poll