BVJ HAVO 4 H1.4 Membrannen

BVJ H 1 inleiding in de biologie 

Basisstof 4 membranen
Boek blz. 30
Binas blz. 79 D
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

BVJ H 1 inleiding in de biologie 

Basisstof 4 membranen
Boek blz. 30
Binas blz. 79 D

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag ?
  • Huiswerk bespreken 
  • leerdoelen doornemen 
  • uitleg over membrannen 
  • zelf aan het werk  

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht 27 A?
in afbeelding 30 (in je boek) zie je schematische tekening van een plantaardige cel. noteer de namen van de genummerde delen

Slide 3 - Tekstslide

Antwoord 27 A
1 = celwand 2 = bladgroenkorrels of chloroplast 3 = celmembraan 4= mitochondrium 5= endoplasmatisch reticulum 6= ribosomen 7= kernmembraan 8= cytoplasma of celplasma 9= (grote centrale) vacuole 10= kernplasma 11= kernlichaampje 12= lysosoom 13= golgisysteem

Slide 4 - Tekstslide

Opdracht 27 B?
noteer de functies van de genummerde delen 1 tot en met 7, 9 en 11 tot en met 13

Slide 5 - Tekstslide

Antwoord27 B
1= stevigheid geven aan de cel 2= fotosynthese laten plaatsvinden 3= afscheiding van de omgeving 4= vrijmaken van energie 5= speelt een rol bij het transport van stoffen 6= produceren van eiwitten 7= afscheiding tussen cytoplasma en kernplasma 9= geeft stevigheid aan de plantaardige cellen 11= hier worden ribosomen gemaakt 12= transport van verterende enzymen 13= bewerken van eiwitten waardoor deze hun uiteindelijke vorm krijgen 

Slide 6 - Tekstslide

Opdracht 27 C?
aan welke drie celorganellen kun je zien dat afbeelding 30 een plantaardige cel voorstelt?

Slide 7 - Tekstslide

Antwoord 27 C
drie celorganellen waaraan je kunt zien dat afbeelding 30 een plantaardige cel voorstelt zijn: de celwand, de grote centrale vacuole en de bladgroenkorrels

Slide 8 - Tekstslide

opdracht 28 A?
een student wil onderzoek doen naar de enzymen die nodig zijn bij het beschikbaar maken van energie
welke neerslag van de celfractionering zal hij voor zijn onderzoek gebruiken? leg je antwoord uit

Slide 9 - Tekstslide

antwoord 28 A
de student zal neerslag 2 gebruiken want deze neerslag bevat veel mitochondriën 

Slide 10 - Tekstslide

opdracht 28 B?
een andere student wil het transport van eiwitten in de cel bestuderen welke neerslag bevat de meeste delen die daarbij een rol spelen? leg je antwoord uit 

Slide 11 - Tekstslide

Antwoord 28 B
Neerslag 3, want deze neerslag bevat veel lysosomen en stukken endoplasmatisch reticulum

Slide 12 - Tekstslide

opdracht 28 C?
Neerslag 4 kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de productie van bepaalde stoffen te onderzoeken. welke stoffen ?

Slide 13 - Tekstslide

Antwoord 28 C
Neerslag 4 kan worden gebruikt om de productie van eiwitten te onderzoeken 

Slide 14 - Tekstslide

opdracht 28 D?
in afbeelding 32 is niet aangegeven in welke neerslag het golgisysteem kan worden aangetroffen 
in welke neerslag verwacht je delen van het golgisysteem aan te treffen let hierbij op de bouw van het golgisysteem. leg je antwoord uit.

Slide 15 - Tekstslide

Antwoord 28 D
in neerslag 3, omdat de bouw van het golgisysteem lijkt op de bouw van het endoplasmatisch reticulum 

Slide 16 - Tekstslide

opdracht 29 A?
welke delen van een cel hebben een functie bij de productie en afgifte van amylase? zet de delen in de juiste volgorde

Slide 17 - Tekstslide

Antwoord 29 A
  • Ribosoom
  • Endoplasmatisch reticulum 
  • het golgisysteem 
  • het celmembraan 

Slide 18 - Tekstslide

opdracht 29 B?
Noteer achter ieder deel welke functie het onderdeel heeft 

Slide 19 - Tekstslide

Antwoord 29 B
  • Ribosoom: produceert eiwitten en geeft die af aan het endoplasmatisch reticulum 
  • Endoplasmatisch reticulum: snoert blaasjes met eiwitten af
  • het golgisysteem: neemt blaasjes van het endoplasmatisch reticulum op en bewerkt de eiwitten verder. Het snoert blaasjes met eiwitten af 
  • het celmembraan  blaasjes versmelten met het celmembraan en de eiwitten worden buiten de cel afgegeven

Slide 20 - Tekstslide

opdracht 30?
leg uit waarom zaadcellen en spiercellen meer mitochondriën hebben dan andere lichaamscellen.

Slide 21 - Tekstslide

Antwoord 30
Mitochondriën maken energie vrij dat word opgeslagen in ATP-moleculen. Als in cellen energie nodig is, wordt dat vrijgemaakt uit ATP-moleculen. spiercellen en zaadcellen hebben veel energie nodig om te kunnen functioneren. zij hebben daarom veel mitochondriën die ATP-moleculen maken 

Slide 22 - Tekstslide

Leerdoelen 
  • de functie van een cel membraan kunnen beschrijven 
  • het kunnen benoemen van de onderdelen in het celmembraan

Slide 23 - Tekstslide

Membranen
Membranen zijn erg belangrijk in de cel

Ze scheiden de cel van de omgeving

En ze omgeven de organellen waardoor ze een scheiding maken met het cytoplasma

Membranen bestaan uit:
Fosfolipiden
Eiwitten
koolhydraten

Slide 24 - Tekstslide

Membranen
De fosfolipiden in een cel membraan kunnen vrij bewegen 


Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Link

Slide 27 - Tekstslide

Aan de slag
Wat: Maken opdracht 31 t/m 34
Hoe: Alleen en in stilte eventueel met oordopjes 
Tijd: tot het einde van de les
Hulp: overleg met je buur of Steek je vinger op
Klaar: lees basisstof 5 door.
Uitkomst: huiswerk is af 

Slide 28 - Tekstslide

Huiswerk
  • Lezen basisstof 4 membranen (blz 30 t/m 32
  • opdrachten  31 t/m 34
  • skimmen basisstof 5


volgende keer 
  • basisstof 5 concentratie en diffusie

Slide 29 - Tekstslide