HOOFDSTUK
Biodiversiteit
Wetenschappen — tweede graad doorstroom
LEERDOELEN VOOR DIT HOOFDSTUK
Basisvorming
BV2_06.29
De leerlingen leggen het verband tussen eigenschappen van virussen, bacteriën en schimmels en hun positieve en negatieve rol in de natuur.
Natuurwetenschappen · Sportwetenschappen
WD2_08.01.03
De leerlingen situeren organismen in het driedomeinensysteem.
Natuurwetenschappen · Sportwetenschappen
WD2_08.01.05
De leerlingen leggen het voorkomen of een toepassing van micro-organismen uit aan de hand van structuur, metabolisme of voortplanting.
Werkwijze: korte theorie-instructie per onderdeel, telkens gevolgd door zelfregulerend verwerken.
Biologie 4 — Lernova, hoofdstuk 2.1
HOOFDSTUK
Biodiversiteit
Wetenschappen — tweede graad doorstroom
LEERDOELEN VOOR DIT HOOFDSTUK
Basisvorming
BV2_06.29
De leerlingen leggen het verband tussen eigenschappen van virussen, bacteriën en schimmels en hun positieve en negatieve rol in de natuur.
Natuurwetenschappen · Sportwetenschappen
WD2_08.01.03
De leerlingen situeren organismen in het driedomeinensysteem.
Natuurwetenschappen · Sportwetenschappen
WD2_08.01.05
De leerlingen leggen het voorkomen of een toepassing van micro-organismen uit aan de hand van structuur, metabolisme of voortplanting.
Werkwijze: korte theorie-instructie per onderdeel, telkens gevolgd door zelfregulerend verwerken.
Biologie 4 — Lernova, hoofdstuk 2.1
CONTEXT
Leven op aarde
4,57
miljard jaar
is de aarde oud.
3,5
miljard jaar
bestaat er leven op aarde.
±
overal leven
zelfs in extreme omstandigheden: bij extreme temperaturen, hoog in de lucht, in de woestijn.
Verandering doorheen de tijd
De aarde heeft er niet altijd hetzelfde uitgezien. Doorheen de jaren zijn er veel veranderingen opgetreden — soms met een toename van het aantal soorten tot gevolg, soms met het uitsterven van soorten.
Biodiversiteit
1
CONTEXT
Verwantschappen tussen organismen
Alle organismen op aarde stammen af van eenzelfde voorouder. Hoe meer gelijkenissen in het genetische materiaal, hoe recenter de gemeenschappelijke voorouder leefde.
Een mens heeft minder gelijkenissen met een zebra dan met een chimpansee, en met een haai nog minder — de gemeenschappelijke voorouder leefde respectievelijk langer geleden.
Biodiversiteit
2
WD2_08.01.03
De drie domeinen van het leven
Alle levende organismen zijn 3,5 miljard jaar geleden geëvolueerd uit één eenvoudige cel, de oercel. Door genetische code te vergelijken, tekenden wetenschappers de 'tree of life': een boomstructuur met drie hoofdtakken, de domeinen.
B
Bacteriën
Eencellige prokaryoten, geen kern
A
Archaea
Lijken op bacteriën, meer verwant met eukaryoten
E
Eukaryoten
Cellen mét celkern — dieren, planten, schimmels, ...
Waarom ordenen we organismen?
Er bestaan miljoenen soorten organismen op aarde. Door ze te ordenen op basis van gemeenschappelijke kenmerken, kunnen wetenschappers verwantschappen begrijpen en communiceren.
Biodiversiteit
3
BOUW · WD2_08.01.03
Het domein van de bacteriën
B
Bacteriën zijn eencellige organismen van 1 tot 10 µm groot — 10 tot 100 keer te klein om met het blote oog te zien.
Celmembraan
rond de celvloeistof (cytoplasma)
Celwand
rond de celmembraan
Slijmlaag
beschermt en dient als herkenning tussen bacteriën
Erfelijk materiaal
zweeft los in het cytoplasma — geen kernmembraan
Flagel (optioneel)
zweepstaart voor voortbeweging
Omdat bacteriën geen celkern bezitten, zijn ze prokaryoot.
Biodiversiteit
4
Bacteriën --> heterotroof
vb: Streptococcen.
POSITIEF & NEGATIEF · BV2_06.29
Bacteriën: voorkomen en rol in de natuur
Schadelijke rol
Veel bacteriën zijn ziekteverwekkers, bv. de cholerabacil en de pestbacil.
De salmonellabacterie ontsteekt onze darmen, wat diarree veroorzaakt.
Afvalproducten van bacteriën kunnen giftig en soms dodelijk zijn.
Bij verwondingen kunnen bacteriële infecties optreden — vandaar antibacteriële zeep bij chirurgen.
Nuttige rol
Bacteriën zijn belangrijke afbrekers in de natuur: dode organismen worden omgezet in mineralen.
Die mineralen kunnen daarna weer door planten opgenomen worden.
Veel bacteriën vind je nuttig terug in onze darmen en op onze huid.
Melkzuurbacteriën zijn nodig voor de bereiding van kaas — toepassing in de voedingsnijverheid.
Wanneer we elkaar de hand schudden, wisselen we naar schatting 50 miljoen bacteriën uit.
Biodiversiteit
5
BOUW, VOEDING, VOORKOMEN · WD2_08.01.03
Het domein van de archaea
A
Archaea lijken sterk op bacteriën — ook kleine, eencellige, prokaryote organismen — maar zijn genetisch meer verwant met de eukaryoten.
Bouw
Andere samenstelling van celmembraan en kapsel dan bacteriën. Door het kapsel kunnen archaea extreem hoge temperaturen trotseren. Geen celkern → prokaryoot.
Voeding
Sommige archaea zijn heterotroof, andere zijn autotroof.
Voorkomen
Geen enkele archaea is ziekteverwekkend. Ze leven bv. in de darmen van herkauwers (methaangas), in plankton in oceanen, en in extreme omstandigheden zoals zure heetwaterbronnen en zoute poelen.
Biodiversiteit
6
BOUW, VOEDING, VOORKOMEN · WD2_08.01.03
Het domein van de eukaryoten
E
Eukaryoten bestaan uit één of meer cellen mét een celkern, omgeven door een kernmembraan dat het erfelijke materiaal (DNA) samenhoudt.
Bouw
Naast de celkern bezitten eukaryoten ook celorganellen met specifieke taken (bv. mitochondriën voor energie, bladgroenkorrels voor fotosynthese bij planten). Cellen zijn veel groter (tot > 100 µm).
Voeding
De meeste planten en bepaalde eencellige eukaryoten zijn autotroof (maken zelf energierijke stoffen aan). Dieren en schimmels zijn heterotroof.
Voorkomen
Eukaryoten tref je zowat overal op aarde aan.
Rijken
Binnen dit domein onderscheiden we onder meer de rijken: dieren, planten en fungi (schimmels).
Biodiversiteit
7
ONDERSCHEIDEN OP BASIS VAN KENMERKEN · WD2_08.01.03
De drie domeinen vergeleken
Virussen missen de kenmerken van deze drie domeinen (geen cellen, geen eigen stofwisseling, verplicht parasitair) en worden daarom niet als levende organismen beschouwd.
Biodiversiteit
8
Ga aan de slag: 2.2. diversiteit van het leven op aarde.
Verlengde instructie?
Planfiche?
Samenvatting - mindmap --> geheugen.
SOORT, RAS EN VARIËTEIT : Classificeren
Wetenschappelijke naamgeving
Binomiale soortnaam
Twee organismen behoren tot dezelfde soort wanneer ze onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Elke soort krijgt een naam uit twee delen: geslachtsnaam (hoofdletter) + soortnaam (kleine letter), cursief geschreven.
Lamium album — voorbeeld van een binomiale soortnaam
Rassen
Binnen een soort bestaan er rassen: uiterlijk verschillende dieren binnen dezelfde soort, ontstaan door menselijke selectie.
Voorbeeld: de Duitse herder en de chihuahua zijn twee rassen van dezelfde soort (hond).
Variëteiten & ondersoorten
Een variëteit ontstaat door natuurlijke selectie (niet door de mens). Bij dieren spreekt men van een 'ondersoort', toegevoegd aan de naam met 'subsp.'.
Voorbeeld: Canis lupus subsp. familiaris (de hond) is een ondersoort van de wolf.
Biodiversiteit
9
VAN DOMEIN TOT SOORT
Classificatieniveaus
Om de miljoenen soorten organismen op aarde te ordenen, bestaan er classificatieniveaus (taxonomische niveaus). Elk niveau wordt onderverdeeld in kleinere groepen met méér gemeenschappelijke kenmerken.
Domein
Rijk
Stam
Klasse
Orde
Familie
Genus
Soort
Voorbeeld (planten)
Eukaryoten
Planten
Landplanten
Zaadplanten
Bedektzadigen
Vlinderbloemenfamilie
—
—
Biodiversiteit
10
TOEPASSING VAN DE CLASSIFICATIENIVEAUS
Classificeren van planten
Planten worden gekenmerkt door een celwand, bladgroenkorrels en een grote vacuole. Binnen de stam van de landplanten onderscheiden we drie klassen — ingedeeld op basis van voortplanting en de aan-/afwezigheid van vaatbundels.
Bedektzadigen: eenzaadlobbigen versus tweezaadlobbigen
Eenzaadlobbigen hebben één zaadlob, bijwortels, parallelnervige bladeren en verspreide vaatbundels. Tweezaadlobbigen hebben twee zaadlobben, een hoofdwortel met zijwortels, veer- of handnervige bladeren en vaatbundels in een kring.
Biodiversiteit
11
SPOREN VERSUS ZADEN
Voortplanting bij planten
Voortplanting door sporen
Mossen en varens zijn sporenplanten.
Sporen zijn gespecialiseerde voortplantingscellen, omgeven door een stevige celwand — ze drogen niet snel uit.
Sporen worden gevormd in een sporendoosje.
Mossen hebben geen wortels: rhizoïden zorgen voor vasthechting, maar nemen geen water op.
Varens bezitten wél vaatbundels en zijn daardoor steviger en groter dan mossen.
Voortplanting door zaden
Bij bestuiving komen stuifmeelkorrels op de stempel van een bloem van dezelfde soort terecht.
Uit de stuifmeelkorrel groeit een stuifmeelbuis met de zaadcel, die de eicel bereikt → bevruchting.
Na bevruchting groeit de eicel uit tot een embryo in een zaad, met reservevoedsel.
Naaktzadigen: zaden liggen naakt tussen de schubben van een kegel (bv. naaldbomen).
Bedektzadigen: zaden liggen ingebed in een vrucht (bv. grassen, kruiden, loofbomen).
Biodiversiteit
12
FUNGI BINNEN DE EUKARYOTEN
Classificeren van schimmels
Schimmels (fungi) vormen een groot rijk binnen de eukaryoten. Als afbrekers spelen ze een belangrijke ecologische rol bij de biologische afbraak van dood plantaardig materiaal.
Zakjeszwammen (Ascomycetes)
Sporen zitten in zakjes. Klassen: kernzwammen (sporendoosjes aan de buitenzijde), korstmossen (samenleving schimmel + wier), gisten (eencellig, voortplanting via knopvorming).
Voorbeelden: dooiermos, baardmos, biergist
Steeltjeszwammen (Basidiomycetes)
Sporen staan op steeltjes. De klasse Agaricomycetes wordt ingedeeld in buisjeszwammen (sporen in buisjes) en plaatjeszwammen (sporen op plaatjes).
Voorbeelden: eekhoorntjesbrood, weidechampignon, vliegenzwam
Sommige schimmels leven als mycorrhiza samen met bomen: ze helpen mineralen op te nemen, in ruil voor suikers van de boom.
Biodiversiteit
13
KENMERKEN EN INDELING IN STAMMEN
Het dierenrijk
Dieren zijn eukaryote organismen, altijd meercellig en heterotroof, en bezitten — in tegenstelling tot planten en schimmels — nooit een celwand. Het dierenrijk wordt ingedeeld in stammen, elk met eigen kenmerken.
Sponzen
Primitiefste dieren, geen symmetrie, geen weefsels
Neteldieren
Radiale symmetrie, netelcellen, darmzak
Platwormen
Plat, geen circulatie-/verteringsstelsel
Ringwormen
Lichaam verdeeld in segmenten
Weekdieren
Vaak schelp of huisje als skelet
Geleedpotigen
Segmenten vergroeid tot lichaamsdelen
Rondwormen
Draadvormig, wél een verteringsstelsel
Stekelhuidigen
Radiale symmetrie (volwassen), stekelhuid
Chordadieren
Chorda → wervelkolom bij gewervelden
Biodiversiteit
14
KLASSEN BINNEN DE SUPERKLASSE VAN DE GEWERVELDEN
Chordadieren en gewervelden
Een chorda is een plooibare staaf die als steun in de rug dient. Bij de meeste chordadieren wordt de chorda later vervangen door een wervelkolom — deze groep noemen we de gewervelden (vertebraten). Alle andere dieren zijn;ongewervelden
Biodiversiteit
15
WD2_08.01.05
Micro-organismen: structuur en toepassing
De structuur, het metabolisme of de voortplanting van een micro-organisme verklaart vaak waar het voorkomt én hoe het toegepast wordt door de mens.
🧀
Melkzuurbacteriën
Structuur en metabolisme → toepassing bij kaasbereiding in de voedingsnijverheid.
🍄
Mycorrhizaschimmels
Samenlevingsvorm schimmel-plant → toepassing: gezondere bomen door mineraalopname.
🦠
Bacteriën als afbrekers
Metabolisme (afbraak organisch materiaal) → voorkomen: overal in bodem, darmen, water.
Kernidee: structuur bepaalt functie. De opbouw van een micro-organisme (celwand, metabolisme, voortplantingswijze) verklaart zowel waar het van nature voorkomt, als hoe het door de mens wordt ingezet — of bestreden.
Biodiversiteit
16
SLEUTEL-SLOTPRINCIPE
Bouw van virussen
Een virus is niet meer dan een hoeveelheid erfelijk materiaal (DNA of RNA) verpakt in een eiwitmantel. Dat DNA of RNA dient om de eiwitten in de eiwitmantel aan te maken.
RNA
eiwitmantel + glycoproteïnen
doelwitcel
receptoreiwit
past als sleutel-in-slot
Virussen verschillen door hun vorm en de glycoproteïnen (antigenen) in hun eiwitmantel. Die glycoproteïnen passen wel of niet op receptoreiwitten in de celmembraan van een doelwitcel — vergelijkbaar met een sleutel die in een slot past.
Biodiversiteit
17
WD2_08.01.03 — SUBDOEL 4
Virussen en het driedomeinensysteem
Virussen missen een aantal essentiële kenmerken van alle levende wezens uit de drie domeinen. Daarom behoren ze niet tot een van de domeinen en worden ze niet als levende organismen beschouwd.
1
Geen cellen
Virussen zijn niet opgebouwd uit cellen, in tegenstelling tot organismen uit de drie domeinen.
2
Geen eigen stofwisseling
Ze hebben geen eigen voeding, ademhaling of uitscheiding.
3
Verplicht parasitair
Voor hun voortplanting doen virussen altijd beroep op een gastheer — een ander organisme.
Virussen zijn parasitair en komen voor bij alle groepen van levende wezens: planten, dieren, schimmels, mensen en zelfs bacteriën.
Biodiversiteit
18
HOE MAKEN VIRUSSEN ONS ZIEK?
Virusziekten bij de mens
1
De glycoproteïne (sleutel) van het virus past op een receptoreiwit (slot) van een doelwitcel.
2
Het virus dringt de cel binnen. De cel maakt zélf de eiwitmantel en glycoproteïnen van het virus aan.
3
De cel reproduceert het virus massaal en ontploft — virusdeeltjes verspreiden zich naar andere cellen.
4
Als het afweersysteem de kettingreactie niet stopt, kan dit leiden tot ernstige ziekte of overlijden.
Voorbeelden: kinderziekten (mazelen, rodehond, bof), verkoudheid (rhinovirussen), griep, kinderverlamming (zenuwcellen), hiv (witte bloedcellen), coronavirussen (luchtwegen).
Biodiversiteit
19
TOEPASSING VAN KENNIS OVER STRUCTUUR · WD2_08.01.05
Antibiotica: bacteriën versus virussen
Werkt wél tegen bacteriën
Sommige antibiotica (bv. penicilline) remmen de opbouw van de celwand — de bacterie klapt in elkaar.
Andere verhinderen de afbraak van de celwand, waardoor de bacterie niet meer kan groeien.
Streptomycine remt de eiwitsynthese in de bacterie.
Andere veranderen de doorlaatbaarheid van het celmembraan, of hinderen de DNA-verdubbeling bij celdeling.
Werkt niét tegen virussen
Virussen hebben geen celwand en geen celmembraan waarop antibiotica kunnen inwerken.
Virussen hebben geen eigen stofwisseling — er is dus niets te remmen.
Virussen laten hun eiwitsynthese en DNA-/RNA-replicatie uitvoeren door de gastheercel zelf.
Omdat de structuren waarop antibiotica inwerken ontbreken, hebben ze geen vat op virussen.
Biodiversiteit
20
SAMENVATTING
Biodiversiteit — kernbegrippen
1
Drie domeinen: bacteriën, archaea en eukaryoten — onderscheiden op celkern, celwand, grootte en voeding.
2
Classificatieniveaus: domein → rijk → stam → klasse → orde → familie → genus → soort.
3
Wetenschappelijke soortnaam: binomiaal, cursief — rassen (mens) versus variëteiten/ondersoorten (natuur).
4
Micro-organismen (bacteriën, schimmels) hebben zowel een positieve als een negatieve rol in de natuur.
5
Virussen zijn geen levende organismen: geen cellen, geen stofwisseling, verplicht parasitair.
6
Antibiotica werken op structuren van bacteriën (celwand, membraan, DNA/eiwitsynthese) — niet op virussen.
Aan de slag: verwerk de theorie zelfregulerend met de begrippenlijst en oefeningen.
NA DE INSTRUCTIE
Aan de slag: zelfregulerend werken
De theorie is nu kort toegelicht. Ga zelfstandig verder volgens onderstaand stappenplan.
1
Herbekijk
Loop deze presentatie nog eens door en herlees het overeenkomstige stuk in het handboek.
2
Verwerk
Maak de opgegeven oefeningen. Gebruik de begrippenlijst bij twijfel over een term.
3
Verbeter
Controleer je antwoorden met de oplossingen. Noteer fouten in een andere kleur — niet uitgommen.
4
Reflecteer
Kruis op de checklist (volgende slide) aan welke leerdoelen je al onder de knie hebt.
5
Vraag hulp
Begrijp je iets nog niet? Vraag het aan een klasgenoot of steek je vinger op.
Biodiversiteit
21
ZELFEVALUATIE
Checklist: mijn leerdoelen
Kruis eerlijk aan waar je nu staat. Twijfel je nog bij oranje of rood? Werk dat leerdoel opnieuw door of vraag het na.
nog niet
bijna
onder de knie
BV2_06.29
Ik kan het verband leggen tussen eigenschappen van virussen, bacteriën en schimmels en hun rol in de natuur.
WD2_08.01.03
Ik kan organismen situeren in het driedomeinensysteem en de domeinen van elkaar onderscheiden.
WD2_08.01.05
Ik kan het voorkomen of een toepassing van micro-organismen verklaren vanuit hun structuur, metabolisme of voortplanting.
Tip: herhaal deze checklist voor elk hoofdstuk — zo bouw je zelf een overzicht op van wat je al beheerst.