De werkgever dat ik ken, gooit het over een andere boeg.
D
Het diner dat ze bereid heeft, smaakt heerlijk.
Slide 2 - Quizvraag
Welke zinnen zijn juist?
A
Gaan jullie altijd zwemmen als het warm is?
B
Gaan jullie altijd zwemmen zodra het warm is?
C
Gaan jullie altijd zwemmen zodat het warm is.
D
Gaan jullie altijd zwemmen nadat het warm is?
Slide 3 - Quizvraag
Welke zinnen zijn juist.
A
Voordat we gingen zwemmen, douchten we ons.
B
Nadat we zwommen, kleedden we ons aan.
C
Voordat we hadden gezwommen, douchten we ons.
D
Nadat we hadden gezwommen, kleedden we ons aan.
Slide 4 - Quizvraag
Conjuncties. Vul de conjunctie in die het beste in de zin past. Kies uit: als / maar / nadat / of / toen / totdat / want / zodra. Je kunt elke conjunctie maar één keer gebruiken. Er blijven twee conjuncties over.
1. Ga je sporten …………… ga je liever naar de bioscoop?
2. Sebastian is niet nerveus, …………….. hij heeft goed gestudeerd.
3. Ik werk liever niet in het weekend, ………………… soms heb ik geen keuze. 4. ……………… ik vanavond vroeg thuis ben, ga ik mijn huis schoonmaken.
5. Ik blijf oefenen ……………… ik dit woord kan uitspreken.
6. ………………. hij jonger was, deed hij veel aan sport.
Slide 5 - Tekstslide
Vocabulaire
Vul het juiste woord in. Je mag een woord maar één keer gebruiken. Er blijven twee woorden over.
2. Iris heeft veel …………………………… aan haar geboorteland.
3. Een volwassene moet ………………….. liter water per dag drinken.
4. Hoe lang moet je ………………………. om de calorieën van een glas cola te verbranden? 5. Persoon A: Noorwegen is erg koud.
Persoon B: Ja, je hebt ………………………., maar de natuur is fantastisch.
6. We hebben een nieuwe opdracht. We gaan een project ………………….. om het lezen te stimuleren.
Slide 6 - Tekstslide
vocabulaire
7. Dirk heeft een …………………. reis door Mongolië gemaakt.
8. Tijdens zijn reis heeft hij veel avonturen …………………… .
9. Het …………………. collega’s is niet belangrijk voor mij als ik een baan zoek. 10. Waarom heb je de ………………… voor dit beroep gemaakt?
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Preposities
Preposities. Kies de juiste prepositie. Kies uit: aan, door, met, naar, op, over, van. Je kunt elke prepositie maar één keer gebruiken. Er blijven twee preposities over.
1. Ik vind het moeilijk om me ……….. het Nederlandse weer aan te passen. 2. We hebben niets gemerkt …………. zijn boosheid.
3. Bas wacht al een uur …….. de bus.
4. De vrienden willen een jaar ………… Zuid-Amerika trekken.
5. Ik heb deze week hard gewerkt. Ik kijk uit ……………. het weekend.
Slide 9 - Tekstslide
Welke zin is juist?
A
Heb je bereikt wat je van jongs af aan wilde?
B
Heb je bereikt dat je van jongs af aan wilde?
Slide 10 - Quizvraag
Welke zin is juist?
A
Ik ben flauwgevallen door de hitte.
B
Ik viel flauw door de hitte.
Slide 11 - Quizvraag
Welke zin is juist?
A
Menig Nederlander spreekt redelijk goed Engels.
B
Veel Nederlanders spreken redelijk goed Engels.
Slide 12 - Quizvraag
Welke zin is juist?
A
Ik ben benieuwd naar jouw mening.
B
Ik ben benieuwd van jouw mening.
Slide 13 - Quizvraag
Welke zin is juist?
A
Geldt deze regel ook voor kinderen?
B
Geldt deze regel ook aan kinderen?
Slide 14 - Quizvraag
Welke zinnen zijn juist?
A
Ik pas me gemakkelijk aan aan een andere cultuur.
B
Ik pas me gemakkelijk aan een andere cultuur aan.
C
Ik pas me aan gemakkelijk aan een andere cultuur.
Slide 15 - Quizvraag
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Wat vind je ervan om vandaag een uurtje eerder met de les te stoppen? (p.119)
Slide 16 - Open vraag
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Ik stel voor dat jij het afscheid van onze collega organiseert"(p.119)
Slide 17 - Open vraag
Taalhandeling: een voorstel doen en iets afwijzen. Reageer negatief op het volgende voorstel. Je wijst het voorstel dus af. "Vind je het goed als we vanavond allemaal bij jou komen eten" (p.119)
Slide 18 - Open vraag
Spreken: Vertel over een stad die je hebt bezocht.
Wanneer was je daar?
Met wie?
Hoe ben je daar gekomen?
Waar heb je overnacht?
Wat heb je gedaan?
Wat vond je van de stad en waarom?
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
Schrijven Wat was je leukste/vervelendste reis? Waarom? Schrijf een tekst van minimaal vijf zinnen.
Slide 21 - Open vraag
Relatieve pronomen: die/dat (p.150) Combineer de zin tot een zin met een relatieve bijzin. Zinnen met die. "Psychologie is een opleiding" "De opleiding past bij mij"
Slide 22 - Open vraag
Relatieve pronomen: die/dat (p.150) Combineer de zin tot een zin met een relatieve bijzin. Zinnen met dat. "Op mijn telefoon krijg ik een bericht" en "Het bericht is automatisch verstuurd"
Slide 23 - Open vraag
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit zijn vrienden..........."
Slide 24 - Open vraag
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is mijn fiets..........."
Slide 25 - Open vraag
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is koningin Maxima........."
Slide 26 - Open vraag
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is de schaatsbaan........."
Slide 27 - Open vraag
Maak de zin af. Gebruik een relatieve bijzin. "Dit is het strand..........."
Slide 28 - Open vraag
spreken/schrijven
Taalhandeling: Reageren op een idee/plan/voorstel (p.148)
Reageer positief, ontwijkend of afwijzend.
Het idee is om yoga voor de werknemers op het werk aan te bieden. Wat vind je daarvan?
Slide 29 - Tekstslide
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. Kun je me even helpen?
Slide 30 - Open vraag
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. "Wij willen graag even van uw toilet gebruik maken."
Slide 31 - Open vraag
Herschrijf de volgende zin en gebruik zou/zouden. "We willen graag slagen voor de toets."