Les 7 april

Vandaag
Opwarmer 
Herhalen thema landen
werkwoorden hebben en zijn
blok 1 boek (google docs)
Andere werkwoorden









1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer 
Herhalen thema landen
werkwoorden hebben en zijn
blok 1 boek (google docs)
Andere werkwoorden









Slide 1 - Tekstslide

Raad het land
https://docs.google.com/document/d/110hZ68_PcoUZZCoKi-fTXA62rVMyytMtNmKCyex-Gpw/edit?usp=sharing

Slide 2 - Tekstslide

ik - I
jij / je - you
hij/zij/ze/het - he / she/ it
Wij - we
jullie - you
Zij/ze - they

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Warm up
Noteer 3 woorden die je kent
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2609366-huh-bij-dit-gezin-woont-een-kalfje-in-huis

wat heb je begrepen?

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Link

Slide 7 - Tekstslide

Zijn - to be
Ik ben - I am
jij bent - you are
hij/zij/het is - he/she/it is
wij zijn - we are
jullie zijn - you are
zij zijn - they are

Slide 8 - Tekstslide

Jullie ____ geen tijd.
A
zijn
B
hebben
C
is
D
bent

Slide 9 - Quizvraag

Zij ____ in Amsterdam.
A
is
B
zijn
C
heeft
D
hebben

Slide 10 - Quizvraag

Wij ____ een huis.
A
zijn
B
hebben
C
heeft
D
bent

Slide 11 - Quizvraag

Jij ____ heel slim.
A
heeft
B
hebt
C
zijn
D
bent

Slide 12 - Quizvraag

Ik ____ een boek.
A
ben
B
zijn
C
heeft
D
heb

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Tekstslide

https://docs.google.com/document/d/1Zzsbk5UuF-m6E0wQBSaQBa6GqYr6Yb9fJ1Ggug-Aa9Q/edit?usp=sharing

Slide 15 - Tekstslide

naspreken korte woorden
spreekbeter

Slide 16 - Tekstslide

How does the conjugation of the regular verbs in the present tense work?

The first person singular is formed by the stem of the infinitive – ‘en’.
The second person singular receives the suffix -t, added to the stem. However, if the personal pronoun comes after the conjugated verb, inversion occurs and this suffix is dropped.
Example: “Loop jij vandaag niet?” = “Are you not walking today?”
The third person singular receives the suffix -t, added to the stem.
For the plural forms,, -en or in some cases -n is added to the stem of the word. As a student of Dutch, this is where you’ll catch a break: these forms are all simply the same as the infinitive!

Slide 17 - Tekstslide

regular verbs
Zingen
Ik zing
je/jij zingt / zing jij?
hij/zij/het zingt
Wij zingen
jullie zingen
zij zingen

Slide 18 - Tekstslide

The irregular verbs in the present tense (present simple)


These are the verbs which are conjugated irregularly in the present tense (present simple):
hebben = to have
kunnen = to be able to/can
mogen = may/to be allowed to
willen = to want
zijn = to be
zullen = will


Slide 19 - Tekstslide

The irregular verbs in the present tense (present simple)

Of these irregular verbs, zijn (to be) and hebben (= to have) are used the most frequently and feature as both auxiliary and main verbs. These are the conjugations of the two verbs:




Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Zijn
Ik ben
Jij bent / (ben jij?)
hij/zij/het is / (is hij?)

Wij zijn
Jullie zijn
Zij zijn


Hebben
Ik heb
Jij hebt / (heb jij?)
Hij/zij/het heeft / (heeft hij?)

Wij hebben
Jullie hebben
Zij hebben

Slide 22 - Tekstslide

Functions of the present simple


First, we use the present simple when an action or event is taking place right at this moment, now. For example: “Hij leert Nederlands.” (= He is studying Dutch). This individual is said to be studying right now.
When an action or event is going to take place in the future. Note that therefore the present simple can also be used in some of the cases that English uses the future tense. Example: “Morgen eten wij kaas.” (= Tomorrow we are going to be eating cheese).
When a general truth is put forward. For instance: “Nederlanders dragen klompen” (= The Dutch wear clogs).




Slide 23 - Tekstslide

Let's practice!
Remember:

First regular verbs, remember:


Slide 24 - Tekstslide

Zij (koken) een lekkere maaltijd.
A
kookte
B
koken
C
kookte
D
kookt

Slide 25 - Quizvraag

Wij (luisteren) naar muziek.
A
luisterde
B
luistert
C
luistert
D
luisteren

Slide 26 - Quizvraag

Hij (leiden) het project.
A
leidtte
B
leidt
C
leid
D
leidde

Slide 27 - Quizvraag

Jij (spelen) in het park.
A
speeltet
B
speelt
C
speelden
D
speel

Slide 28 - Quizvraag

Ik (werken) elke dag hard.
A
werk
B
werkte
C
werkte
D
werkt

Slide 29 - Quizvraag

En dan nu hebben en zijn

Slide 30 - Tekstslide

U ___ een interessante vraag.
A
ben
B
zijn
C
heeft
D
bent

Slide 31 - Quizvraag

Zij ___ thuis.
A
is
B
zijn
C
hebben
D
hebt

Slide 32 - Quizvraag

Wij ___ een nieuwe auto.
A
hebt
B
zijn
C
ben
D
hebben

Slide 33 - Quizvraag

Jij ___ naar school.
A
hebt
B
heb
C
zijn
D
bent

Slide 34 - Quizvraag

Ik ___ een boek.
A
heb
B
hebt
C
ben
D
zijn

Slide 35 - Quizvraag

Les 7 april

Slide 36 - Tekstslide