E Computer Architectuur: Quizz 23-24

Quizz
Computerarchitectuur (E1-2)
1 / 56
volgende
Slide 1: Tekstslide
InformaticaMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 56 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Quizz
Computerarchitectuur (E1-2)

Slide 1 - Tekstslide

Noem de drie lagen van het drielagenmodel
A
Fysieke laag, softwarelaag en toepassingenlaag
B
Fysieke laag, logische laag en applicatielaag
C
Fysieke laag, logische laag en toepassingenlaag
D
Fysieke laag, logische laag en hardwarelaag

Slide 2 - Quizvraag

Welke laag uit het drielagenmodel vormt alle hardware in de computer?
A
Fysieke laag
B
Logische laag
C
Toepassingenlaag
D
Orthopedische laag

Slide 3 - Quizvraag

Welke laag uit het drielagenmodel is de tussenlaag tussen de twee andere
lagen?
A
Fysieke laag
B
Logische laag
C
Toepassingenlaag
D
Communicatielaag

Slide 4 - Quizvraag

Drielagenmodel
SW
SW
HW
toepassingen
logische laag
fysieke laag

Slide 5 - Sleepvraag

Model voor informatieverwerking
invoer
uitvoer
verwerking
opslag

Slide 6 - Sleepvraag

Drielagenmodel in websites/webapplicaties
fysieke laag:
logische laag:
toepassingen:
webbrowser
website/
webapplicatie
Apparaat van de gebruiker, ontvangt informatie via het netwerk

Slide 7 - Sleepvraag

Van data tot OV app: 
OV App
Database disks
 Databasemanagementsysteem
WebAPI van 9292OV
Internet apparatur & verbindungen
Router/modem thuis
smartphone wifi-chip
Android API

Slide 8 - Sleepvraag

Welke van deze onderdelen bevinden zich in de fysieke laag?
A
Database disks
B
WebAPI van 9292OV
C
Wifi-chip van je smartphone
D
App

Slide 9 - Quizvraag

Welke stelling is juist?
A
Software uit de toepassingenlaag kan alleen contact maken met de fysieke laag via de logische laag.
B
Hardware uit de toepassingenlaag kan alleen contact maken met de logische laag via de fysieke laag.
C
Software uit de logische laag kan alleen contact maken met de fysieke laag via de toepassingen laag.
D
Hardware uit de logische laag kan alleen contact maken met de toepassingen laag via de fysieke laag laag.

Slide 10 - Quizvraag

Hoe heten elektronische verbindingen tussen fysieke onderdelen?
A
Hardware interfaces
B
Hardware connecties
C
Printplaat
D
Chips

Slide 11 - Quizvraag

Welke soort interface zorgt voor de communicatie tussen het apparaat en de gebruiker?
A
Hardware-interface
B
API
C
MCI
D
userinterface

Slide 12 - Quizvraag

Vul de zin aan: Connectoren zijn voorbeelden van…
A
hardware-interfaces
B
application programming interfaces
C
userinterfaces
D
hairstyling producten

Slide 13 - Quizvraag

Waar staat EEPROM voor?
A
Electrically Erasable Programmable ROM
B
Electrically Editable Programmable ROM
C
Electrically Ejectable Programmable ROM
D
Electrically Engineerable Programmable ROM

Slide 14 - Quizvraag

Wat is onderdeel van Interne Geheugen
A
RAM
B
CPU
C
GPU
D
SSD

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen ROM en RAM?
A
ROM is software en RAM is hardware
B
ROM verwijderd zijn gegevens niet en RAM doet dit wel
C
RAM is een geheugenchip en ROM niet
D
ROM is een geheugenchip en RAM niet

Slide 16 - Quizvraag

Het ... bevat gegevens die alleen gelezen kunnen worden en een grote rol spelen bij het opstarten van een computer.
A
ROM
B
RAM

Slide 17 - Quizvraag

Waar staat RAM voor?
A
Random Artificial Memorizer
B
Readable Adjustable Memory
C
Random Access Memory
D
Realtime Archive Monitoring

Slide 18 - Quizvraag

Welk onderdeel is het hart van de computer?
A
De processor
B
De videokaart
C
Het moederbord
D
De voeding

Slide 19 - Quizvraag

Wat is GEEN taak van een processor (CPU)?
A
Opslaan van data
B
Ophalen van informatie uit het interne geheugen
C
Uitvoeren van berekeningen

Slide 20 - Quizvraag

PCI aansluitingen
PCI Express aansluitingen
aansluitingen voor geluid
northbridge
plaats voor processor
RAM geheugen
stroom aansluiting
floppy aansluiting
southbridge
IDE aansluiting
SATA aansluiting

Slide 21 - Sleepvraag

Wat is geen embedded system?
A
Een alarmsysteem
B
Een slimme thermostaat
C
Een wekker

Slide 22 - Quizvraag

Waar staat SOC voor
A
Security Operation Center
B
System On a Chip
C
Standard Occupational Classification
D
Standard Official Classification it-security

Slide 23 - Quizvraag

Wat zijn de krachtigste en snelste computers ter wereld?
A
OmegaComputer
B
PowerComputer
C
SuperComputer
D
Mainframe

Slide 24 - Quizvraag

Waar wordt een supercomputer (normaal gesproken) niet voor gebruikt?
A
Ruimtevaartprojecten
B
Wetenschappelijk onderzoek
C
Videogames
D
Weersvoorspellingen

Slide 25 - Quizvraag

Kan je software fysiek aanraken?
A
ja
B
nee
C
alleen tijdens het gamen

Slide 26 - Quizvraag

Waar staat HTTP voor?
A
HypoText Teleport Protocol
B
HyperText Transfer Protocol
C
HyperText Transfer Position
D
Huge Telephone Transfer Protocol

Slide 27 - Quizvraag

Welke van de onderstaande beweringen is juist?
A
HTTP is geen protocol, maar HTTPS wel.
B
Bij POP3 blijft de mail die je hebt verstuurd op de server staan.
C
SMTP is om e-mails te verzenden.

Slide 28 - Quizvraag

Waar staat DNS voor?
A
Did Not Start
B
Device Network System
C
Domain Name Service
D
Danger Negation Settings

Slide 29 - Quizvraag

Als het doel is om je website zo goed mogelijk te beveiligen wat is dan de beste manier om je data te beveiligen?
A
http zonder end to end ecryption
B
https zonder end to end ecryption
C
https met end to end ecryption
D
het internet heeft uit zichzelf al de juiste beveiligingen dus je hoeft niks te doen

Slide 30 - Quizvraag

Wat zijn voorbeelden van actuatoren?
A
Barometer (meet luchtdruk)
B
Alarm dat afgaat bij inbraak
C
Licht gaat automatisch aan
D
Mechanisme dat controleert of mensen in de auto een gordel dragen

Slide 31 - Quizvraag

Hoe is het grootste deel van internet verbonden over de hele wereld?
A
met satellieten
B
met onderzeese kabels
C
met magie
D
het internet is niet verbonden met alle continenten

Slide 32 - Quizvraag

Wat worden er door glasvezelkabels verzonden?
A
Radiogolven
B
Lichtsignalen
C
Elektrische signalen
D
Morse code

Slide 33 - Quizvraag

Wat is het meestgebruikte internet-protocol?
A
HTTP
B
TCP/IP
C
UTP
D
UDP

Slide 34 - Quizvraag

Welk apparaat deelt IP adressen uit in een netwerk?
A
Switch
B
Firewall
C
Router
D
Server

Slide 35 - Quizvraag

“Deze kabel heeft een extra beschermingslaag rondom de acht aders. Hierdoor is er een afscherming tegen elektromagnetische straling.”
welke kabel is dit?
A
utp
B
stp
C
---
D
---

Slide 36 - Quizvraag

Waar staat de S voor in STP?
A
Synched
B
Shielded
C
Shifted
D
Sheltered

Slide 37 - Quizvraag

Wat is de betekenis van de afkorting CC ?
A
carbon copyright
B
creative creatie
C
creative commons
D
creative copyright

Slide 38 - Quizvraag

Wat is copyright?
A
recht om te kopieren.
B
auteursrecht
C
recht op inkomsten van een foto
D
rechts van het kopieer apparaat

Slide 39 - Quizvraag

Wat is een functie van de firewall?
A
verkeer van data pakketjes controleren
B
datapakketjes openen en de inhoud bekijken
C
datapakketjes vernietigen
D
datapakketjes doorsturen

Slide 40 - Quizvraag

POP, SMTP en IMAP zijn voorbeelden van .....................
A
e-mail
B
proporties
C
protocollen
D
data afspraken

Slide 41 - Quizvraag

Wat wordt mogelijk gemaakt met een SSL-certificaat?
A
HTTP verbinding
B
Bluetooth verbinding
C
HTTPS verbinding
D
Secure System Links

Slide 42 - Quizvraag

Wat is de functie van een firewall?
A
Bij het opstarten van je apparaat worden alle bestaande bestanden gecontroleerd.
B
Het controleert alle binnenkomende netwerkgegevens op betrouwbaarheid.
C
Het maakt geregeld een scan van je apparaat om malware te detecteren.
D
Het voert automatisch updates uit van geïnstalleerde programma’s.

Slide 43 - Quizvraag

Wat is phishing?
A
Een methode die aanvallers gebruiken om mensen te bewerken.
B
Illegaal online vissen kopen.
C
Slachtoffers naar een valse website lokken.
D
Slachtoffers opbellen om gegevens te krijgen.

Slide 44 - Quizvraag

Waar staat de afkorting DDoS voor?
A
Distributed Denial of Service
B
Dogs Denial of Smile
C
Deliberate Denial of Scope
D
Dangerous Distributed Security

Slide 45 - Quizvraag

Je bent verbonden met een openbaar wifinetwerk.
Zonder dat je het weet worden gegevens, die jij naar websites verstuurt, afgevangen.
Hoe heet deze vorm van internetcriminaliteit?
A
SQL-injection
B
Man-in-the-middle
C
Middleware
D
End-to-end

Slide 46 - Quizvraag

Welke licentie moet je hebben als je de code van een app wilt gebruiken en veranderen?
A
Freeware
B
Shareware
C
Open source
D
Commerciële licentie

Slide 47 - Quizvraag

Wat wordt er bedoeld met de integriteit van gegevens en informatie?
A
De gebruiker heeft de gegevens gecontroleerd op juistheid.
B
Er zijn geen privacygevoelige persoonlijke gegevens vastgelegd van de gebruiker.
C
Er wordt voldaan aan de informatie-eis ‘betrouwbaarheid’.
D
Er wordt voldaan aan alle eisen die aan informatie worden gesteld.

Slide 48 - Quizvraag

Welke omschrijving past het beste bij het principe 'two factor authentication'?
A
Van de gebruiker worden twee zaken gevraagd die hij/zij weet, bijvoorbeeld een wachtwoord en een pincode.
B
De gebruiker controleert of hij/zij op de juiste website zit en de website controleert of hij/zij de juiste gebruiker is.
C
De gebruiker wordt gevraagd om iets wat hij/zij weet (bijvoorbeeld diens naam of een wachtwoord) én heeft een verificatiecode nodig.

Slide 49 - Quizvraag

Het komt voor dat softwareontwikkelaars bepaalde kwetsbaarheden in de beveiliging over het hoofd hebben gezien. Deze lekken bieden internetcriminelen de kans om onaangekondigd en snel software binnen te dringen.
Hoe noemen we zulke kwetsbaarheden?
A
Zero days
B
Bugs
C
Black Holes

Slide 50 - Quizvraag

Noem zoveel mogelijk soorten malware

Slide 51 - Open vraag

Soorten malware:

  • Trojan Horse
  • Virus
  • Worm
  • Spyware


  • Adware
  • Ransomware
  • Scareware (bonus)

Slide 52 - Tekstslide

Noem zoveel mogelijk invoerapparaten

Slide 53 - Open vraag

Noem zoveel mogelijk uitvoerapparaten

Slide 54 - Open vraag

Slide 55 - Tekstslide

Slide 56 - Tekstslide