Thema 9 herhaling werkwoord

Thema 9 herhaling werkwoord
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Thema 9 herhaling werkwoord

Slide 1 - Tekstslide

welke vorm is medium?
A
ἐλαυνουσι
B
προσηρχετο
C
προσεταττεν
D
geen vorm is medium

Slide 2 - Quizvraag

Welke vorm is actief?
A
ὑπερβαλλονται
B
αἱρουμενος
C
παραινουμεν
D
geen vorm is actief

Slide 3 - Quizvraag

Welke vorm is infinitivus?
A
ἡμαι
B
λανθανετε
C
τεμνειν
D
geen vorm is infinitivus

Slide 4 - Quizvraag

Welke vorm is géén imperfectum?
A
εὐχομεθα
B
ηὐχομεθα
C
ὑπερβαλλον
D
alle vormen zijn imperfectum

Slide 5 - Quizvraag

Welke vorm is géén aoristus?
A
ὑπερεβαλον
B
ἐψευσε
C
ἐφοβει
D
alle vormen zijn aoristus

Slide 6 - Quizvraag

Welke vorm is indicativus?
A
παιδευθεις
B
ἐλογιζεσθε
C
λογισαι
D
alle vormen zijn indicativus

Slide 7 - Quizvraag

welke vorm is géén infinitivus?
A
πωλειν
B
θαψαι
C
ἀποκρινασθε
D
alle vormen zijn infinitivus

Slide 8 - Quizvraag

welke vorm is géén imperativus?
A
ἠμυνεσθε
B
ἀμυνεσθε
C
γραψαι
D
alle vormen zijn imperativus

Slide 9 - Quizvraag

ἐψευσατε
A
ind impf 2de pl
B
ind aor 2de pl
C
imp aor pl
D
con aor 2de pl

Slide 10 - Quizvraag

ἠνεγκον
A
ind impf 1ste sg
B
ind aor 1ste sg

Slide 11 - Quizvraag

τυψαι
A
imp aor med sg
B
inf praes act

Slide 12 - Quizvraag

ὠργισθη
A
aor ind 1ste sg A
B
aor ind 3de sg A
C
aor ind 1ste sg P
D
aor ind 3de sg P

Slide 13 - Quizvraag

γενομενος
A
gen sg ptc praes
B
gen sg ptc aor
C
nom sg ptc praes
D
nom sg ptc aor

Slide 14 - Quizvraag

εἰασε
A
imp sg aor
B
ind 3de sg aor
C
ind 2de pl impf
D
ind 3de sg praes

Slide 15 - Quizvraag

ἐθαψαν
A
3de pl ind aor A
B
inf aor A

Slide 16 - Quizvraag

ἑλειν
A
inf praes A
B
inf aor A

Slide 17 - Quizvraag

ἠγνοει
A
imp sg aor M
B
2de sg impf M
C
3de sg impf A
D
3de sg aor A

Slide 18 - Quizvraag

στραευεσθαι
A
2de sg aor M
B
inf aor M
C
3de sg praes M
D
inf praes M

Slide 19 - Quizvraag

Thema 9 vorming coniunctivus

Slide 20 - Tekstslide

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van προσερχωμαι

Slide 21 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van ὑπερβαλῃς

Slide 22 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van προσταττωσι

Slide 23 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van γραψω

Slide 24 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van αἰσθανηται

Slide 25 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van ψευσητε

Slide 26 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van ἐνεγκω

Slide 27 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van γενωμεθα

Slide 28 - Open vraag

Noteer persoon, ev/mv, prs/aor, act/med-pas
van στρατευωνται

Slide 29 - Open vraag

coniunctivus in hoofdzin

coniunctivus in de hoofdzin

Slide 30 - Tekstslide

ἐλθωμεν εἰς την Ὀλυμπιαν
A
aansporing
B
verbod
C
twijfel

Slide 31 - Quizvraag

οὐδαμως ἀρεσκουσι μοι οἱ ἀγωνες : ὁμως θεησωμαι αὐτους ἤ μη ;
A
aansporing
B
verbod
C
twijfel

Slide 32 - Quizvraag

ταυρους θυωμεθα τῃ θεᾳ Ἡρᾳ ;
A
aansporing
B
verbod
C
twijfel

Slide 33 - Quizvraag

μη ἀκουσῃς ἀνθρωπων διαλεγομενων περι των ἰδιων πραγματων.
A
aansporing
B
verbod
C
twijfel

Slide 34 - Quizvraag

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide