Groene vormgeving en verkoop kl2 terugblik op module

Groene vormgeving en verkoop: Bloem
Leerjaar 2 

Neem deze les door ter voorbereiding op de toets
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & NatuurMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Groene vormgeving en verkoop: Bloem
Leerjaar 2 

Neem deze les door ter voorbereiding op de toets

Slide 1 - Tekstslide

Met een winkelvorm wordt bedoeld...
A
De vorm waarin de winkel is gebouwd.
B
De kleuren waarmee de winkel is vormgegeven.
C
De opzet voor de winkel in grote lijnen.
D
De totale uitstraling van de winkel.

Slide 2 - Quizvraag

Geef een voorbeeld van een winkelvorm.

Slide 3 - Open vraag

Dit is een voorbeeld van een groene winkelvorm:
A
kringloopwinkel
B
bloemenstal
C
drogisterij
D
supermarkt

Slide 4 - Quizvraag

Geef nog twee voorbeelden van een groene winkelvorm

Slide 5 - Open vraag

Met een winkelvorm wordt bedoeld...
A
De totale uitstraling van de winkel.
B
De vorm waarin de winkel is gebouwd.
C
De kleuren waarmee de winkel is vormgegeven.
D
De opzet voor de winkel in grote lijnen.

Slide 6 - Quizvraag

Boerderijwinkel
Markt
Speciaalzaak
Tuincentrum
Webshop
Verkoopt maar een paar soorten producten die bij elkaar passen. 
Verkoopt van alles online, vaak in combinatie met een winkel. 
Verkoopt vlees, zuivel, groenten, fruit enz van eigen boerderij. 
Een grote winkel, vaak buiten het centrum. Verkoopt bomen, planten, tuingereedschap, tuinmeubelen enz. 
Producten zoals stoffen, vis, groenten en fruit, bloemen, brood, noten enz worden verkocht op een openbare plek in dorp of stad. 

Slide 7 - Sleepvraag

Met een winkelformule wordt bedoeld
A
De inrichting, presentatie en huisstijl van de winkel.
B
De berekening van het aantal te verkopen producten.
C
De manier waarop de winkelier klanten naar binnen lokt.

Slide 8 - Quizvraag

Een groot bedrijf met veel winkelvestigingen noemen we:
A
Een doelgroep
B
Een winkelketen
C
Een winkelformule
D
Een imago

Slide 9 - Quizvraag

De winkel die je ziet is
A
Een zelfstandige winkel.
B
Een winkelketen.

Slide 10 - Quizvraag

Met winkelformule wordt bedoeld
A
De winkelinrichting
B
De kleuren van de winkel,
C
Het soort winkel
D
De totale uitstraling van de winkel.

Slide 11 - Quizvraag

Dit zijn géén onderdelen van de winkelformule:
A
Plaats en Prijs
B
Product en Promotie
C
Presentatie en Personeel
D
Perfectie en Performance

Slide 12 - Quizvraag

Met een assortiment wordt bedoeld...
A
De manier waarop de producten in een winkel gesorteerd zijn.
B
Alle productgroepen die een winkelier bij elkaar verkoopt.

Slide 13 - Quizvraag

Alle productgroepen die een winkelier bij elkaar verkoopt wordt het assortiment genoemd. 

Slide 14 - Tekstslide

De techniek die bij dit boeket
gebruikt is noem je:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 15 - Quizvraag

Een corsage is:
A
Een klein bloemwerkje voor op kleding
B
Het boeket voor de bruid
C
Een rouwboeket
D
Bloemen op de trouwauto.

Slide 16 - Quizvraag

Noem twee kwaliteitseisen waarop je let bij het werken met steekschuim.

Slide 17 - Open vraag

Het bloemwerk op het plaatje
is een:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 18 - Quizvraag

Dit is géén kenmerk van een Vegetatieve schikking:
A
Bloemen en planten groeien in de natuur bij elkaar
B
Er zijn alleen natuurlijke materialen gebruikt
C
Er worden kralen gebruikt als versiering
D
Het materiaal is gestoken zoals het in de natuur groeit

Slide 19 - Quizvraag

Het bloemwerk op het plaatje
is een:
A
Biedermeier
B
Korenschoof
C
paralelschikking
D
Vegetatieve schikking

Slide 20 - Quizvraag

Dit is géén kenmerk van een biedermeier op steekschuim:
A
het heeft een bindpunt
B
de stelen zijn schuin afgesneden
C
het is rond
D
de stelen zijn naar het midden gestoken

Slide 21 - Quizvraag

Welke drie handelingen zorgen ervoor dat een biedermeier rond wordt?

Slide 22 - Open vraag

Het punt waar je een handgeschikt boeket vastbind noem je:
A
het middelpunt
B
het bindpunt
C
het knooppunt
D
het schikpunt

Slide 23 - Quizvraag

Welk type bloemstuk zie je op de foto?
A
Biedermeier
B
Paralelschikking
C
Vegetatieve schikking
D
Bloemstukje

Slide 24 - Quizvraag

Wat kenmerkt een vegetatieve schikking?

Slide 25 - Open vraag

Bij een bloemenveiling:
A
worden bloemen alleen gekweekt
B
worden bloemen gekweekt en verkocht
C
worden bloemen uit de hele wereld verzameld
D
worden bloemen van kwekers over de hele wereld verhandeld.

Slide 26 - Quizvraag

WAT KLOPT NIET?

Bij een bloemenveiling:
A
wordt er op de klok verkocht
B
mag iedereen bloemen kopen
C
kan er op bloemen geboden worden
D
worden bloemen gekoeld

Slide 27 - Quizvraag

Bloemen op de bloemenveiling worden gekoeld omdat
A
ze dan lekker slapen
B
de kleur dan goed blijft
C
ze langer houdbaar zijn
D
de keurmeester ze beter kan beoordelen

Slide 28 - Quizvraag

Welke kosten moet een bloemist in rekening brengen om de kostprijs (wat de klant moet betalen) te kunnen berekenen?
Noem er minstens 3.

Slide 29 - Open vraag

Wat betekend de afkorting B.T.W.?

Slide 30 - Open vraag

Inkoopprijs
Materiaalkosten
Opslagpercentage
Arbeidskosten
B.T.W.
De prijs voor bloemen op de veiling.
Alles wat je gebruikt om het boeket te maken. 
De tijd die het maken van het boeket kost. 
Dit is de winst.
De belasting die betaald moet worden. 

Slide 31 - Sleepvraag