§3.3 - Experimenteren: Transport door celmembranen

Welkom
- Spullen op tafel, inloggen, startklaar.
- Les §3.3 - Transport door 
membranen
- Vooruitblik.
Leerdoelen
6. Je beschrijft verschillende manieenr van membraantransport.
7. Je verklaart de veranderingen bij een plantencel in een omgeving met een afwijkende osmotische waarde.
8. Je verklaart de veranderingen bij een dierlijke cel die in een omgeving komt met een afwijkende osmotische waarde.
9. Je legt uit hoe osmose de houdbaarheid van voedsel kan verlengen.
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom
- Spullen op tafel, inloggen, startklaar.
- Les §3.3 - Transport door 
membranen
- Vooruitblik.
Leerdoelen
6. Je beschrijft verschillende manieenr van membraantransport.
7. Je verklaart de veranderingen bij een plantencel in een omgeving met een afwijkende osmotische waarde.
8. Je verklaart de veranderingen bij een dierlijke cel die in een omgeving komt met een afwijkende osmotische waarde.
9. Je legt uit hoe osmose de houdbaarheid van voedsel kan verlengen.

Slide 1 - Tekstslide

Ik heb de gedeelde uitlegvideo's bekeken over §3.1 en §3.2
A
Ja
B
Nee

Slide 2 - Quizvraag

Ik heb §3.1 en §3.2 gelezen en gemaakt.
A
Alles gelezen en gemaakt.
B
Wel begonnen, maar niet afgemaakt.
C
Alles gelezen, gemaakt en kritisch nagekeken (andere kleur, tips opgeschreven).
D
Nee.

Slide 3 - Quizvraag

Voedselbederf
Veroorzakers:
Micro-organismen als bacteriën en schimmels 

Gevolg
1. Voedselinfectie: micro-organismen dringen lichaam binnen.
2. Voedselvergifitiging: gifstoffen van micro-organismen komen in je bloed.

Slide 4 - Tekstslide

Virussen

Slide 5 - Tekstslide

Lees p. 83 (helemaal) en 84 (alleen 1e kolom). Noteer hier de manieren van voedsel conservering die je niet meteen bekend voor komen.

Slide 6 - Open vraag

Succescriteria
  • Je kunt de definitie van de volgende begrippen uitleggen: celmembraan, diffusie, passief / actief transport, netto transport, transportkanaaltjes, waterkanaaltjes, osmose, endocytose, voedselvacuole, lysosoom, exocytose, turgor, (grens)plasmolyse, osmotische waarde.
  • Je kunt de inhoud van de leerdoelen aan een ander uitleggen.
  • Je kunt de (examen)vragen over dit onderwerp goed (bijna foutloos) maken.
  • Je weet welke binas-tabellen bij het onderwerp horen en informatie uit deze tabellen halen en gebruiken.

Slide 7 - Tekstslide

Bouw celmembraan
Dubbele fosfolipide membraan (hydrofiele kop, hydrofobe staart)

Eiwitten voor 
1. steun
2. transport

Selectief doorlaatbaar


Slide 8 - Tekstslide

Passief en actief transport
Passief transport
- Met concentratieverval mee (van hoog -> laag)
- Kost geen energie.
Bij passief transport van deeltjes spreek je van diffusie.

Actief transport
- Tegen concentratieverval in (van laag -> hoog)
- Kost wel energie.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Actief / passief transport

Slide 11 - Tekstslide

Stoffentransport
Passief transport kost geen energie, actief transport kost energie (ATP).

Slide 12 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen celwand en celmembraan?
Celwand is net een koffiefilter
Het laat water en opgeloste deeltjes door en houdt grote deeltjes tegen. 
Celmembraan is selectief permeabel:   Eiwitkanalen kunnen open of dicht.
--> Permeabel!

Slide 13 - Tekstslide

Wat voor soort membranen zijn er?
Permeabel
Semi-permeabel
Alles doorlaatbaar: 
Zowel water als opgeloste deeltjes. 
Alleen water doorlaatbaar:
Deeltjes gaan niet door het membraan (kanaaltjes voor nodig)
Deeltje (glucose)

Slide 14 - Tekstslide

Permeabel membraan
Deeltjes bewegen van een hoge naar een lage concentratie/osmotische waarde.
3%
9%
3%
9%
6%
6%
Belangrijk begrip: Osmotische waarde
Lage osmotische waarde = lage concentratie opgeloste stoffen
Diffusie

Slide 15 - Tekstslide

Semi-permeabel membraan
OSMOSE
Hoe beweegt water, zodat er dezelfde concentratie aan beide kanten zit?
Uiteindelijk komt er dezelfde concentratie stoffen aan beide kanten.
Hoe? Water kan zich ook verplaatsen. Ook wel osmose genoemd. 
Alleen water verplaatst!

Slide 16 - Tekstslide

Semi-permeabel membraan
Water beweegt van een lage naar een hoge concentratie/osmotische waarde. 
3%
9%
3%
9%
6%
6%
Osmose

Slide 17 - Tekstslide

Osmose / passief
Diffusie van water over een semipermeabel membraan van een lage naar een hoge osmotische waarde.

Osmotische waarde: hoeveelheid opgeloste stoffen in het water.

Hoge osmotische waarde: veel opgeloste stoffen.
Lage osmotische waarde: weinig opgeloste stoffen.

Slide 18 - Tekstslide

Plantencellen
Streven naar hypertone celinhoud om druk op de celwand te houden (turgor): stevigheid

Slide 19 - Tekstslide

Plantencellen
Plasmolyse: celmembraan laat los van de celwand.
Grensplasmolyse: turgor=nul maar celmembraan laat nog net niet los

Slide 20 - Tekstslide

Dierlijke cellen
Streven naar isotone omstandigheden.

Slide 21 - Tekstslide

Hypotoon/ isotoon/ hypertoon

Slide 22 - Tekstslide

Hoe spreken we over hogere/lagere concentraties?
Hypotonisch:
De oplossing heeft een lagere concentratie stoffen dan de andere oplossing. 
Als je twee oplossingen vergelijkt:
Isotonisch:
De oplossing heeft dezelfde concentratie stoffen dan de andere oplossing. 
Hypertonisch:
De oplossing heeft een hogere concentratie stoffen dan de andere oplossing. 

Slide 23 - Tekstslide

Blaasjes
Endocytose: opnemen van grote deeltjes. 
Exocytose: afgifte van deeltjes.

Fagocytose: opnemen van bacteriën en grote deeltjes door witte bloedcellen.

Slide 24 - Tekstslide

De osmotische waarde van zuiver water is ......... ten opzichte van een zoutoplossing
A
Hypertoon
B
Hypotoon
C
Isotoon

Slide 25 - Quizvraag

Osmotische waarde
Dus de concentratie van alle opgeloste stoffen samen (in de cel zijn dat vooral zouten, suikers en eiwitten)

Slide 26 - Tekstslide

Op het moment dat de omgeving een hogere osmotische waarde heeft noem je dit ....
A
hypotoon
B
isotoon
C
hypertoon

Slide 27 - Quizvraag


Een plantencel wordt in een oplossing
gelegd. Is deze oplossing isotoon,
hypertoon of hypotoon ten opzichte
van de plantencel?
A
isotoon
B
hypertoon
C
hypotoon

Slide 28 - Quizvraag

3

Slide 29 - Video

00:56
Je ziet dat het pantoffeldiertje een vacuole heeft die steeds volloopt en dan samentrekt. Waarom doet ie dat?
A
omdat er door diffusie water de cel in stroomt
B
omdat er door osmose water de cel in stroomt
C
omdat er door diffusie water de cel uit stroomt
D
omdat er door osmose water de cel uit stroomt

Slide 30 - Quizvraag

01:20
Het pantoffeldiertje pompt dus water naar buiten. Hij doet dit als het water in zijn omgeving ... is ten opzichte van de celinhoud.
A
isotoon
B
hypertoon
C
hypotoon

Slide 31 - Quizvraag

01:47
Wanneer je een pantoffeldiertje van slootwater in gedestilleerd water legt, gaan zijn vacuole dan sneller of langzamer kloppen?
A
sneller
B
langzamer
C
even snel, water is water

Slide 32 - Quizvraag