Passé composé met être & avoir

Passé composé
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Passé composé

Slide 1 - Tekstslide

0

Slide 2 - Video

Sleep de vervoegingen naar het juiste vakje
Passé composé
Présent
Je fais
Il parle
Il a parlé
Nous avons regardé
J'ai fait
Nous regardons

Slide 3 - Sleepvraag

être
avoir
Je suis
Ils sont
Tu as
Il a 
Il est
Ils ont
Tu es
Nous avons
Vous êtes
Nous sommes
J'ai
Vous avez

Slide 4 - Sleepvraag

Grammaire II p. 24
On fait 16A + 16B ensemble


Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Passé composé - gebruik
J’ai regardé un film pendant le week-end. 
Ik heb een film gekeken in het weekend.

Kijk naar bovenstaande voorbeeldzin. De passé composé gebruik ik om.... 
  • iets over het verleden te vertellen

Slide 7 - Tekstslide

Passé composé - vorm
De passé composé bestaat, net als de Nederlandse voltooide tijd uit twee delen

  • het bestaat uit een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord

Slide 8 - Tekstslide

Passé composé - hulpww. 
  • Wanneer je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt (ik ben gegaan), gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord être.  
  • Wanneer je in het Nederlands het hulpwerkwoord hebben gebruikt (ik heb gekeken), gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord avoir.  

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Passé composé - hulpww.
Voor de passé composé gebruik je deze hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd (le présent). Het is dus belangrijk deze goed uit je hoofd te kennen! 

Zie de volgende dia...

Slide 11 - Tekstslide

avoir = hebben
j'ai
tu as 
il, elle, on a

ils, elles ont 
être = zijn
je suis
tu es
il, elle, on est

ils, elles sont 

Slide 12 - Tekstslide

Passé composé - volt. dw. 
In het Frans heb je werkwoorden die eindigen op:
1. -er (zoals regarder = kijken) 
2. –ir (zoals sortir = uitgaan)
3. –re (zoals vendre = verkopen)

Slide 13 - Tekstslide

Passé composé - volt. dw. 
  • Regelmatige werkwoorden op –er: haal -er eraf en voeg é toe (manger: j'ai mangé des moules).
  • Regelmatige werkwoorden op –ir: haal -ir eraf en voeg je -i toe (partir: il est parti en vacances)
  • Regelmatige werkwoorden op –re: haal -re eraf en voeg je -u toe  (perdre: elle a perdu son sac) 


Slide 14 - Tekstslide

Passé composé - volt. dw. 
Let op!
Als je de passé composé met être maakt, kan het voltooid deelwoord extra letters krijgen (zoals het adjectif)

M             F      
ev       -              -e                
mv      -s            -es               
              

Slide 15 - Tekstslide

Zet in de passé composé.
Tu (aller)
A
as allé
B
es allé
C
a allé
D
est allé

Slide 16 - Quizvraag

Zet in de passé composé
Cet été, je (rester) à la maison.
A
ai resté
B
suis resté(e)
C
avons resté
D
resté

Slide 17 - Quizvraag

Zet de zin in de passé composé

Le loup tombe dans la soupe.

Slide 18 - Open vraag

Zet de zin in de passé composé

Nous arrivons en retard.

Slide 19 - Open vraag

Zet de zin in de passé composé

Sylvie sort du gymnase.

Slide 20 - Open vraag

Zet de zin in de passé composé
Sylvie et Marie descendent par l'escalier.

Slide 21 - Open vraag

Zet de zin in de passé composé

Tu (m) rentres à la maison.

Slide 22 - Open vraag

Ik kan de passé composé met être toepassen
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll