Week 35 H2 les 3

Programm
Rückblick
Lernziele
Aufgabe Einleitung
Schritt 1
  • Hören
  • Aussprache
Schritt 2
  • Lesen
  • Schreiben
Evaluation
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Programm
Rückblick
Lernziele
Aufgabe Einleitung
Schritt 1
  • Hören
  • Aussprache
Schritt 2
  • Lesen
  • Schreiben
Evaluation

Slide 1 - Tekstslide

Rückblick
Was haben wir letztes Mal gemacht oder gelernt?


Slide 2 - Tekstslide

Lernziele
Je kunt jezelf voorstellen en begrijpt het als anderen dit doen
Je kent de regels voor zelfstandig naamwoorden
Je leert nieuwe woorden die te maken hebben met jezelf voorstellen

Slide 3 - Tekstslide

Aufgabe 5 auf Seite 9
Lees eerst het stukje tekst van A



Lees het stukje tekst van B

Wat is de Berlijnse beer?
Wat is hij sinds 1280?
Wat is de functie in het boek?
Waar vind je deze beren?
Waar kun je de eerste beer vinden?

Wat is het Ampelmännchen?
Waar kon je deze vroeger vinden?
Is dat nu anders?
Wanneer zie je het mannetje in het boek?
Geher? Steher?



Slide 4 - Tekstslide

Schritt 1 ab Seite 12

Aufgabe 1: Hör dir den Text an, streiche durch
Aufgabe 2: Lies die Texte und schreib in die Tabelle
Aufgabe 3: Hör den Text an und kreuze an (R oder F)
Aufgabe 4: Das Alphabet

timer
3:00

Slide 5 - Tekstslide

Schritt 2 ab Seite 15
Wer bist du?

A1 Lesen: du kannst Texte über Personen lesen und du kannst Informationen über diese Personen verstehen

  • Lesen
  • Großschreibung

Slide 6 - Tekstslide

Großschreibung
Als je de Duitstalige teksten in je boek  bekijkt is je vast al iets aparts opgevallen. Als je in het bijzonder kijkt naar de zinnen, dan is er iets vreemds aan de hand.

  • Er staan hoofdletters midden in de zin.

Slide 7 - Tekstslide

Wanneer gebruikt je in het Nederlands een hoofdletter?

Slide 8 - Open vraag

Großschreibung
In het Nederlands
aan het begin van de zin
bij namen van mensen
bij namen plaatsen
In het Duits
  • aan het begin van de zin
  • bij namen van mensen
  • bij namen plaatsen
  • bij zelfstandig naamwoorden
Zelfstandig naamwoord kan je je altijd de/het/een of een bijvoeglijk naamwoord bij denken: de man, een aardige vrouw, het gehoorzame kind etc.

Slide 9 - Tekstslide

Aufgaben ab Seite 15
Aufgabe 1
Aufgabe 2
Aufgabe 3
Aufgabe 4
Stempeln, bitte

Schon fertig?: Aufgabe 3 von Schritt 3 auf Seite 20
timer
8:00

Slide 10 - Tekstslide

Wörter lernen
Ook bij Duits is het handig als je een grote woordenschat hebt.

Bekijk de woorden op blz. 16
Probeer in 1 minuut zoveel mogelijk woorden in je hoofd te krijgen.
Je logt daarna in op LessonUp en geeft antwoord.

Slide 11 - Tekstslide

Vertaal: die Adresse

Slide 12 - Open vraag

Vertaal: das Alter

Slide 13 - Open vraag

Vertaal: der Sohn

Slide 14 - Open vraag

die Postleitzahl =
A
de postbus
B
de brievenbus
C
het antwoordnummer
D
de postcode

Slide 15 - Quizvraag

die Familie =
A
de familie
B
de kennissen
C
het gezin
D
je huisgenoten

Slide 16 - Quizvraag

die Verwandten =
A
het gezin
B
de kennissen
C
de bekenden
D
de familie(leden)

Slide 17 - Quizvraag

der Urlaub =
A
de vakantie
B
moeilijk
C
de week
D
het geloof

Slide 18 - Quizvraag

1 Sohn. Wat is het meervoud?
2 ...

Slide 19 - Open vraag

Wat is ja in het Duits?

Slide 20 - Open vraag

Nächste Stunde
Leer de woordjes van Schritt 2
  • lees ze een paar keer door
  • je hoeft ze niet zo goed te leren als voor een toets!


Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide