H10.4 titreren

Planning
Huiswerk nakijken 10.2 en 10.3
Uitleg 10.4


1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Planning
Huiswerk nakijken 10.2 en 10.3
Uitleg 10.4


Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Je leert:
  • Waarom producten gecontroleerd worden
  • Hoe je onderzoekt hoeveel zuur er in een oplossing zit
  • Je kunt de handelingswijze bij een titratie beschrijven.
  • Je kunt de concentratie van een zuur in een oplossing berekenen met behulp van een titratie. 

Slide 2 - Tekstslide

10.4 "titraties"

Slide 3 - Tekstslide

Waarom/wanneer titreren?
  • De NVWA controleert of fabrikanten zich houden aan de warenwet
  • In deze wet staan de eisen waaraan een product moet voldoen

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeeld: tafelazijn
Er is een ondergrens en een 
bovengrens voor de 
hoeveelheid azijnzuur er in 
tafelazijn mag zitten

Slide 5 - Tekstslide

Chemisch analisten
van de NVWA zoeken uit of producten aan de eisen voldoen
Zo niet dan kan er een boete worden opgelegd.

Slide 6 - Tekstslide

Titreren
Manier om de hoeveelheid zuur in een oplossing te bepalen.
Dat doe je door  proeven te doen:
1:  met een oplossing waarvan je weet hoeveelheid zuur er reageert met 1,0 ml oplossing.
2: met een oplossing die je wilt onderzoeken

Slide 7 - Tekstslide

Titratie-opstelling
buret met base




erlenmeyer met 1 ml zuur 
aangevuld met water





Slide 8 - Tekstslide

Titreren
1: afmeten van een aantal  1,0 mL  zuur aanvullen met water
2: indicator toevoegen
3: lees de beginstand van de buret af op 2 cijfers achter de komma
4: druppelsgewijs base toevoegen tot het omslagpunt van de indicator
6: lees de eindstand af op 2 cijfers achter de komma
7: doe dit nog een keer
8: ga rekenen

Slide 9 - Tekstslide

rekenvoorbeeld
Hoeveel azijnzuur zit er in azijn?
1,0 ml natronloog reageert met 
1,2 mg azijnzuur
de beginstand is 12,8 ml
de eindstand is 17,4 ml

Slide 10 - Tekstslide

vervolg
gegeven: beginstand = 12,80 ml, eindstand = 17,60 ml, 1,0 ml natronloog komt overeen met 1,2 mg azijnzuur
gevraagd: hoeveel azijnzuur zit er in de oplossing?
Berekening: eindstand - beginstand = 17,60 -12,80 = 4,60 ml



Er zit in 1,0 ml oplossing 5,52 mg azijnzuur

volume natronloog
1,0
1
4,6
massa azijnzuur
1,2
5,52

Slide 11 - Tekstslide

Aan de slag
Maak opdracht 95 t/m 113 (alleen de A en B vragen)
dit mag samen
vragen? boek/buurman(vrouw)/mij
we kijken het samen na
klaar? begin met 12.1


Slide 12 - Tekstslide

Check op de lesdoelen

  • Waarom worden producten gecontroleerd 
  • Hoe onderzoek je hoeveel zuur er in een oplossing zit
  • Beschrijf de handelingswijze bij een 
  • Hoe bereken je de concentratie van een zuur in een oplossing met behulp van een titratie. 

Slide 13 - Tekstslide

Welke pH hebben zuren?
A
0-7
B
7
C
7-14

Slide 14 - Quizvraag

Zuren zijn
A
metalen
B
moleculaire stoffen
C
zouten

Slide 15 - Quizvraag

Welke stof is een zuur?

A
azijn
B
soda
C
gootsteenontstopper
D
water

Slide 16 - Quizvraag

Met een zuur schoonmaakmiddel kan ik?
A
vet verwijderen
B
de vaat wassen
C
ramen lappen
D
kalk verwijderen

Slide 17 - Quizvraag

Hoe maak je een zuur?
A
Een zout verhitten .
B
Een zout verhitten en dan water toevoegen?
C
Een zout verhitten, het gas opvangen en daar water aan toe voegen.
D
Een zout verhitten en water toevoegen.

Slide 18 - Quizvraag

Welk van de onderstaande schoonmaakmiddelen is een zuur schoonmaakmiddel?
A
Groene zeep
B
Ammonia
C
Gootsteenontstopper
D
wc ontkalker

Slide 19 - Quizvraag

Welke pH hebben basen?
A
0-7
B
7
C
7-14

Slide 20 - Quizvraag

basen zijn
A
metalen
B
moleculaire stoffen
C
zouten

Slide 21 - Quizvraag

Wat is de zuurgraad (pH) van water
A
0
B
7
C
10
D
14

Slide 22 - Quizvraag