cross

spelling hoofdstuk 4, 1KGT

Vak: Nederlands
- Uitleg: 
  • Spelling 4.5           
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare school

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Vak: Nederlands
- Uitleg: 
  • Spelling 4.5           

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel  4.5 spelling
- Het gebruik van het schema werkwoordspelling
- het vormen van verkleinwoorden

Slide 2 - Tekstslide

Sterke werkwoorden

Klankveranderend

Lopen -liepen 
Slapen
Kopen
Liggen
Begrijpen
Zwakke werkwoorden

Klankvast

Werken - Werkten
Fietsen
Regenen
Ophalen
Leren

Slide 3 - Tekstslide

Vervoegen vt
Bij het vervoegen van zwakke werkwoorden gebruik je;

't ex-kofschip of 't ex-fokschaap

Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit dit woord:
dan +te(n).
Zo niet, dan +de(n).

Slide 4 - Tekstslide

Sterke en zwakke ww
Bij het vervoegen van een zwak werkwoord verandert de klank niet, daar is het werkwoord te zwak voor.
 (bijvoorbeeld werk - werkte)

Sterke werkwoorden hebben wel 'genoeg kracht' om de klank te laten veranderen. 
(bijvoorbeeld loop - liep)

Slide 5 - Tekstslide

WERKWOORDSPELLING

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Slide 8 - Tekstslide

Leertekst: bijvoegelijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
De spelling van het bijvoeglijk naamwoord hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.

- Je schrijft het bijvoeglijk naamwoord met -e als voor het zelfstandig naamwoord het lidwoord de staat.
de grote held - een grote held
de lange leraar - een lange leraar

- Je schrijft het bijvoeglijk naamwoord met -e als voor het zelfstandig naamwoord het lidwoord het staat.
Maar: je schrijft géén -e als er voor dit zelfstandig naamwoord een staat.
het mooie huis - een mooi huis
het kleine cadeau - een klein cadeau

Slide 9 - Tekstslide

Bijvoegelijk naamwoord
Een bijvoegelijk naamwoord hoort bij een zelfstandig naamwoord.
Je schrijft het bn met een -e als het lidwoord -de bij het zn hoort en als het lidwoord een voor dat zn staat.

voorbeeld: 
de jonge hond of een jonge hond

Je schrijft het bn met een -e als het lidwoord het bij het zn hoort, maar je schrijft geen -e als het lidwoord een voor het zn staat.

voorbeeld: 
het mooie meisje- een mooi meisje

Slide 10 - Tekstslide

Bijvoegelijk naamwoord (bn)
Het bijvoegelijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. 

voorbeeld: 
  zin 1                      Het mooie meisje - een mooi meisje
  zin 2                     De rode auto. - een rode auto 
  zin 3                     De kale man zat aan een houten tafel.

Lidwoord:  zin 1 het -  zin 2 de -  zin 3 de / een
Zelfstandig naamwoord: zin 1 meisje - zin 2 auto -  zin 3 man / tafel 
Bijvoegelijk naamwoord: zin 1 mooie - zin 2 rode -  zin 3 kale / houten 

Slide 11 - Tekstslide

0

Slide 12 - Video

Leertekst: Als - Dan
Met een bijvoeglijk naamwoord kun je de drie trappen van vergelijking maken: de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap.
Je krijg dan rijtjes. Bijvoorbeeld: groot – groter – grootst.
- Na de stellende trap gebruik je als: Mijn computer is net zo snel als die van Kyra.
- Na de vergrotende trap gebruik je dan: Mijn laptop is sneller dan die van Milan.


Ezelsbruggetje
Als hoort bij =
Dan hoort bij > en <

Slide 13 - Tekstslide

De leertekst: dan- als 
Een vergelijking maak je met de woorden als en dan.  
 
Als hoort bij 'hetzelfde'.  
- Kevin is net zo groot als Jordi.  
- Kevin is even klein als Jordi.  
 
Bij de tweede trap gebruik je dan.  
- Jordi is groter dan Danny.  
- Danny is kleiner dan Kevin.  
 
Bij de derde trap heb je als en dan niet nodig.  
- Rodney is het grootst.  
- Danny is het kleinst.

Slide 14 - Tekstslide

DAN:
regels:
gebruik DAN na:
- De vergrotende trap: meer DAN, kleiner DAN, mooier DAN
- ander, andere, anders: het is anders DAN ik dacht

Slide 15 - Tekstslide

ALS
Gebruik ALS na:
- net zo en even: net groot ALS, even mooi ALS
- Niet zo: niet zo groot ALS
- Drie keer, vier keer zo: vier keer zo groot ALS

Slide 16 - Tekstslide

0

Slide 17 - Video

0

Slide 18 - Video

Maak de opdrachten! 
Aan de slag!
Aan de slag?
Aan de slag.

Slide 19 - Tekstslide