Examenpaasquiz klas 4

Paasquiz Nederlands




Ben jij er klaar voor?
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Paasquiz Nederlands




Ben jij er klaar voor?

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Planning
Oefenopdracht              10 min
Examenpaasquiz          20 min
Opdrachten afmaken 15 min 
Afsluiting                            5 min

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenopdracht leesvaardigheid

Lees de tekst: paard als spiegel en beantwoord de vragen individueel, dus alleen ;) 

timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Nederlands CSE BBL 2016 TV 1
https://archief28.sitearchief.nl/archives/sitearchief/20230829020000/https://static.examenblad.nl/9336116/d/ex2016/BB-0011-a-16-1-o.pdf
Welke bedoeling of bedoelingen heeft de eerste alinea van de tekst
‘Paard als spiegel’?
A
alleen 1
B
1 en 2
C
1 en 3
D
1, 2 en 3

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verband tussen alinea 1 en 2?
A
Alinea 1 en 2 vormen een tegenstelling.
B
Alinea 2 snijdt een nieuw onderwerp aan.
C
Alinea 2 trekt een conclusie uit gegevens uit alinea 1.
D
Alinea 2 werkt de informatie uit alinea 1 verder uit.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In alinea 2 staat de zin: “Veel praktijken in coaching met paarden maken
gebruik van deze eigenschap.”
Welke eigenschap van paarden wordt hier bedoeld?
A
het aanvoelen van emoties bij mensen
B
het contact kunnen maken met mensen
C
het helpen bij de samenwerking tussen mensen
D
het reageren op het verstand bij mensen

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verband tussen alinea 5 en 6?
A
Alinea 5 en 6 vormen een opsomming.
B
Alinea 5 en 6 vormen een tegenstelling.
C
Alinea 6 noemt een gevolg van wat er in alinea 5 wordt verteld.
D
Alinea 6 noemt een voorbeeld bij wat er in alinea 5 wordt verteld

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk kopje geeft het beste de inhoud weer van alinea 5?
A
Bijzondere ervaring
B
Communicatie met paarden
C
Omgaan met paarden
D
Sascha Schalkwijk

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de hoofdgedachte van deze tekst?
A
Een paard laat zich alleen leiden door iemand die het vertrouwt.
B
Je kunt jezelf beter leren kennen door om te gaan met paarden.
C
Op veel locaties in Nederland kun je leren om met paarden om te gaan.
D
Wie met paarden omgaat, moet eerlijk communiceren.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bedoeling van de laatste alinea?
A
een advies geven
B
een nieuw gegeven inbrengen
C
een samenvatting geven
D
een waarschuwing geven

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het doel van de tekst?
A
de lezer informeren
B
de lezer overtuigen
C
de lezer tot handelen aanzetten
D
de lezer waarschuwen

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden kunnen je helpen als je een vraag krijgt over het verband tussen twee alinea's?
A
werkwoorden
B
verwijswoorden
C
signaalwoorden
D
zelfstandige naamwoorden

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een anekdote?
A
Een leesteken dat laat zien dat er een citaat begint.
B
Een kort, grappig verhaaltje over iets wat echt gebeurd is.
C
Een afsluiting van de tekst, waarin de schrijver een advies geeft.
D
Een korte inleiding van de tekst, waarin de schrijver zijn mening geeft.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een signaalwoord van een redengevend tekstverband?
A
want
B
echter
C
daarentegen
D
bovendien

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN signaalwoord van een opsommend tekstverband?
A
bovendien
B
daarnaast
C
niet alleen...maar ook
D
al met al

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt er bedoeld met de hoofdgedachte van een tekst?
A
De mening van de schrijver.
B
Een samenvatting van de tekst in één zin.
C
Het antwoord op de vraag: 'Waar gaat de tekst over?'.
D
De belangrijkste functie van de inleiding.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste manier om een zin te citeren?
A
Bij veel open vragen moet je een zin citeren. (r. 8-9)
B
"Bij veel open .... " (r. 8-9)
C
"Bij veel open vragen moet je een zin citeren (r. 8-9)."
D
"Bij veel open vragen moet je een zin citeren." (r. 8-9)

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden helpen je bij het bepalen van het doel van een advertentietekst?
A
werkwoorden in de gebiedende wijs
B
signaalwoorden van een voorbeeldgevend tekstverband
C
bijvoeglijke naamwoorden die een versterking aangeven
D
zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar de afbeelding

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke schrijfopdracht kun je NIET op het examen tegenkomen?
A
artikel
B
recensie
C
zakelijke brief
D
zakelijke e-mail

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorbeeldzin voor de zakelijke brief/ zakelijke e-mail is juist?
A
Mijn naam is Jan Stemerdink, ik zit in klas 4 van Mavo aan Zee.
B
Mijn naam is Jan Stemerdink en ik zit in klas 4 van Mavo aan Zee.
C
Mijn naam is Jan Stemerdink, ik zit in klas 4 van de Mavo aan Zee.
D
Mijn naam is Jan Stemerdink en ik zit in klas 4 van de Mavo aan Zee.

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke bewering is juist?
A
Na 'Betreft:' noteer je het onderwerp van de brief, met een kleine letter.
B
Na 'Betreft:' noteer je het onderwerp van de brief, met een hoofdletter.
C
Je begint de inleiding van de brief met een kleine letter.
D
De letters van jouw postcode schrijf je met kleine letters.

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorbeeldzin is juist?
A
Ik schrijf deze brief na aanleiding van een opdracht voor school.
B
Ik schrijf deze brief, omdat ik na aanleiding van school een opdracht moet doen.
C
Ik schrijf deze brief naar aanleiding van een opdracht voor school.
D
Ik schrijf deze brief, omdat ik naar aanleiding van school een opdracht moet doen.

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorbeeldzin is juist?
A
Zou u om 13 uur bij ons op school kunnen zijn voor het interview?
B
Zou u om 13.00 u. bij ons op school kunnen zijn voor het interview?
C
Zou u om 13.00 uur bij ons op school kunnen zijn voor het interview?
D
Zou u om 1 uur bij ons op school kunnen zijn voor het interview?

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet je NIET doen bij de schrijfopdracht?
A
De zinnen kort en simpel houden.
B
Woorden afbreken aan het einde van de regel.
C
Witregels tussen de inleiding, de kern en het slot plaatsen.
D
Getallen in woorden uitschrijven.

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke zin is de komma NIET juist gebruikt?
A
Als het mogelijk is, zou ik graag een interview bij u afnemen.
B
Ik schrijf deze brief, omdat ik voor school een interview bij iemand moet afnemen.
C
Ik moet voor school een interview bij iemand afnemen, en daarom stuur ik u deze brief.
D
De vragen die ik voor het interview heb bedacht, zou ik graag aan u willen stellen.

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is NIET toegestaan bij het examen?
A
woordenboek
B
pennen
C
markeerstiften
D
Tipp-Ex

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk punt valt er bij de schrijfopdracht NIET onder 'taalgebruik'?
A
conventies
B
spelling
C
formulering
D
interpunctie

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel punten kun je maximaal behalen voor taalgebruik bij de schrijfopdracht?
A
2
B
5
C
6
D
10

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


De schrijver kan een tekst afsluiten door
een aanbeveling te doen.
Wat betekent het woord aanbeveling?
A
advies geven
B
een bevel geven
C
een conclusie geven
D
een antwoord op de vraag geven

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Het doel van de tekst is informatie geven.
Wat betekent informatie geven?
A
dat je het doel van de tekst uitlegt
B
dingen vertellen waardoor je meer over iets te weten komt
C
een uitspraak doen
D
een anekdote geven

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


In alinea 8 staan voorbeelden bij het onderwerp.
Wat betekent het woord voorbeelden?
A
iets noemen om iets samen te vatten
B
iets noemen om de alinea aan te vullen
C
iets noemen om iets beter uit te leggen
D
iets noemen om een tekstverband te kunnen gebruiken

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


In alinea 6 staat een voorwaarde voor het verminderen van het aantal ongelukken.
Wat betekent het woord voorwaarde?
A
iets wat gebeurd, nadat...
B
iets wat eerst moet gebeuren, voordat...
C
iets wat gebeurd is
D
iets wat gebeurd is, omdat....

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


De schrijver wil de lezen waarschuwen voor te veel eten.
Wat betekent het woord waarschuwen?
A
wijzen op een gevaar of een nadeel
B
wijzen op wat de lezen moet gaan doen
C
wijzen op hoe de lezer moet handelen
D
wijzen op wat de oorzaak is

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Welke zin geeft de hoofdgedachte van de zin weer?
Wat betekent weergeven?
A
uitleggen
B
omschrijven
C
verduidelijken
D
beschrijven

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Alinea8 weerlegt het gestelde in alinea 7.
Wat betekent het woord weerlegt?
A
(met argumenten) aantonen dat het klopt
B
(met argumenten) hetzelfde aantonen
C
(met argumenten) aantonen dat het niet klopt
D
(met argumenten) het gestelde in alinea 7 uitleggen

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan het werk!
Werk verder aan het voorbeeldexamen vanaf pagina 24 van de examenreader.

Je kunt vooraf nog de theorie (pagina 1 t/m 22) doorlezen.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies