Thema 5 - regeling - herhaling


Thema 5: Regeling

          HERHALING
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les


Thema 5: Regeling

          HERHALING

Slide 1 - Tekstslide

Het zenuwstelsel
  • Zenuwstelsel verwerkt impulsen die afkomstig zijn van zintuigen.  

Een prikkel is een invloed uit het milieu op een organisme.
Onder invloed van prikkels ontstaan in zintuigcellen impulsen.

Impulsen zijn elektrische signalen die door zenuwen worden voortgeleid. 

Slide 2 - Tekstslide

Het zenuwstelsel bestaat uit het
centrale zenuwstelsel en uit zenuwen

Slide 3 - Tekstslide

Zenuwcellen
Impulsen worden via zenuwcellen door het zenuwstelsel verstuurd. 
  • Een zenuwcel is opgebouwd uit een cellichaam en uitlopers. 
  • In het cellichaam bevindt zich de celkern.
  • Door de uitlopers worden impulsen voortgeleid. 

Er zijn 3 typen zenuwcellen:
- gevoelszenuwcellen
- bewegingszenuwcellen
- schakelcellen

Slide 4 - Tekstslide

Gevoelszenuwcellen
  • Geleiden impulsen van zintuigen naar centrale zenuwstelsel.
  • 1 lange uitloper van zintuigcellen naar cellichaam.
  • Cellichaam ligt vlak bij het centrale zenuwstelsel.  

Slide 5 - Tekstslide

Bewegingszenuwcellen
  • Geleiden impulsen van centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren. 
  •  Cellichamen liggen in het centrale zenuwstelsel.

Slide 6 - Tekstslide

Schakelcellen
  • Geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel.
  • Verbinden elkaar onderling.
  • Verbinden ook uitlopers van gevoelszenuwcellen
    met uitlopers bewegingszenuwcellen.  
  • Liggen geheel in het centrale zenuwstelsel. 

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Het ruggenmerg
Alle gewervelde dieren hebben een wervelkolom. 
De beschermt het ruggenmerg

Het ruggenmerg verbindt veel zenuwen met 
de hersenen. 

Slide 9 - Tekstslide

Grijze en witte stof
  • Grijze stof: cellichamen van schakelcellen en van bewegingszenuwcellen
  • Witte stof: Uitlopers die impulsen naar hersenen geleiden

Slide 10 - Tekstslide

Vlak bij het ruggenmerg splitsen de gemengde zenuwen in gevoelszenuwen en bewegingszenuwen.






De cellichamen van de gevoelszenuwcellen liggen bij elkaar in verdikkingen:
         zenuwknopen


Slide 11 - Tekstslide


In de grijze stof:
Cellichamen van de gevoelszenuwcellen zijn door uitlopers verbonden met de cellichamen van de schakelcellen. 
De schakelcellen zijn met uitlopers verbonden aan de cellichamen van de bewegingszenuwcellen

In de witte stof:
Andere uitlopers van de schakelcellen lopen door de witte stof naar de hersenen. 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

De Hersenen
De hersenen bestaan uit: de hersenstam,
de grote hersenen en de kleine hersenen

De hersenstam ligt in het verlengde van het
ruggenmerg.

De hersenstam geleidt de impulsen van het
ruggenmerg naar de grote en kleine hersenen.

Slide 14 - Tekstslide

Maar ook..
  • Impulsen van zintuigen in hoofd/hals  -->  grote/kleine hersenen
  • Impulsen van grote/kleine hersenen  -->  spieren/klieren in hoofd/hals

De hersenstam stuurt ook belangrijke levensfuncties aan zoals:
  • Hartslag
  • Ademhaling
  • Bloeddruk
  • Lichaamstemperatuur

Slide 15 - Tekstslide

Grote en kleine hersenen
  • Bestaan beide uit een linker- en rechterhelft.

Grijze stof:
  • In de hersenschors.
  • Hierin liggen de cellichamen van de
    schakelcellen van de hersenen.

Witte stof:
  • Binnenste gedeelte.
  • Hierin liggen uitlopers van schakelcellen. 
Schakelcellen
Cel die impulsen geleid binnen het centrale zenuwstelsel.

Centrale zenuwstelsel: bestaat uit grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg)

Slide 16 - Tekstslide

Hersencentra
In de grote hersenen komen veeeel impulsen binnen vanaf de zintuigen. 

In de grote hersenen liggen de cellichamen van de schakelcellen in groepen bij elkaar: de hersencentra
Deze worden onder verdeeld in:
gevoelscentra en bewegingscentra

Slide 17 - Tekstslide

Gevoelscentra en bewegingscentra
Gevoelscentra ontvangen informatie 
van zintuigen.
Bewegingscentra sturen spieren 
en klieren aan. 

Voor elk lichaamsdeel is er in elke 
hersenhelft een centrum voor 
bewegen en voelen. 

Slide 18 - Tekstslide

Gevoelscentra en bewegingscentra
Binnenkomende impulsen vanaf zintuigen worden verwerkt
Na verwerking vindt bewustwording plaats: je ziet iets, je voelt iets. 

In de bewegingscentra kunnen impulsen ontstaan
Deze impulsen kunnen via centrale zenuwstelsel en bewegingszenuwen naar spieren worden geleid. 

Vaak voor je veel bewegingen tegelijkertijd uit. De kleine hersenen zorgen ervoor dat alle bewegingen op elkaar zijn afgestemd: coördinatie

Slide 19 - Tekstslide

Het zenuwstelsel beïnvloeden
Stoffen die de werking van het zenuwstelsel beïnvloeden:
Medicijnen, tabak, drugs en alcohol.

Deze stoffen kunnen het doorgeven van impulsen remmen of stimuleren. 

Slide 20 - Tekstslide

Drugs
  • Verdovende drugs
    Werken kalmerend en ontspannend. Maken je rustig, verminderen angst. 
  • Stimulerende drugs
    Zorgen voor meer energie en alertheid. Geven zelfvertrouwen.
  • Waarneming veranderende drugs
    Wereld ziet er ander uit. Waarneming en stemming veranderd. 

                                          Welke drugs horen in welke groep?

Slide 21 - Tekstslide

Bewuste reacties
Bij het reageren op prikkels kunnen impulsen op verschillende manieren door het zenuwstelsel worden voortgeleid:
- Bewuste reacties
- Relfexen

Je lacht naar de camera. Dit doe je bewust. Bij deze bewuste reactie gaan de impulsen altijd via de hersenen.



Slide 22 - Tekstslide

Reflexen
Een reflex is een snelle, onbewuste reactie op een bestaande prikkel.
  

Je houdt je hand onder een te warme
 kraan. Je trekt je hand terug en pas 
daarna word je je bewust van de pijn.

Slide 23 - Tekstslide

Wat gebeurt er?
  • In zintuigcellen hand ontstaan impulsen
  • Impulsen gevoelszenuwcellen – schakelcellen – ruggenmerg
  • I.p.v. door naar de hersenen: direct door naar bewegingszenuwcellen: je trekt je arm terug.
  • Tegelijk ook impuls vanuit schakelcellen
    ruggenmerg naar de hersenen:
    bewustwording.

Slide 24 - Tekstslide

  • Reflex beschermt lichaam tegen beschadigingen.
  • De weg die impulsen afleggen bij een reflex: reflexboog
       - Reflexboog van hoofd en hals gaan via de hersenstam
       - Reflexboog van romp en ledematen gaan via het ruggenmerg


  • Bekende reflexen:
       - Kietel reactie: gaat niet via de grote hersenen.
       - Kniepeesreflex


Slide 25 - Tekstslide

Het hormoonstelsel
Hormoonklieren produceren hormonen
  • Hormonen zijn stoffen die de werking van bepaalde 
    organen regelen. 
  • Hormoonklieren hebben geen afvoerbuizen, ze geven
    hormonen direct af aan het bloed. 
  • Een hormoon is alleen werkzaam in weefsels/organen die
    gevoelig zijn voor dat hormoon. 
Hormonen regelen  vooral langzame processen zoals groei,
voortplanting, stofwisseling. 

Slide 26 - Tekstslide

De hypofyse

De hypofyse produceert verschillende 
hormonen.  
  • Groeihormoon regelt groei van botten.
  • Hormonen die de werking van andere
     hormoonklieren beïnvloeden. 

Slide 27 - Tekstslide

De schildklier

Onder invloed van hormoon vanuit hypofyse produceert de schildklier het schildklierhormoon
  • Beïnvloedt de stofwisseling en de groei en ontwikkeling.
  • Het stimuleert de verbranding in cellen.
  • Te veel schildklierhormoon zorgt voor te veel
    verbranding: je wordt rusteloos en vermagert.  

Slide 28 - Tekstslide

Eilandjes van Langerhans
Eilandjes van Langerhans zijn groepjes cellen in de
alvleesklier. 
  • Produceren insuline en glucagon.
    Deze houden glucosegehalte in het bloed
    constant (0,1%). 
  • Wanneer na een maaltijd glucose omhoog gaat maken
    EvL insuline. Glucose wordt dan opgenomen door lever en
    spiercellen. Daar wordt glucose omgezet in glycogeen. 

Slide 29 - Tekstslide

  • Bij inspanning glucose uit bloed verbruikt.
    - Glucose in bloed < 0,1% : EvL produceren glucagon
    - Door glucagon wordt glycogeen omgezet in glucose. 

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Diabetes
Bij diabetes (suikerziekte) maken EvL te weinig insuline en/of reageert het lichaam niet goed meer op insuline. 
  • Mensen met diabetes kunnen insuline spuiten.
  • Voedsel/hoeveel insuline moet goed op elkaar afgestemd worden. 
  • Een ongezonde leefstijl verhoogd het risico op diabetes. 

Slide 32 - Tekstslide

De bijnieren


De bijnieren produceren adrenaline
  • Bij angst, schrikken, boosheid geven bijnieren adrenaline af aan het bloed
  • Door adrenaline zet leven glycogeen om in glucose. 
  • Door adrenaline gaat hartslag omhoog en ga je sneller ademen. 
Adrenaline werkt snel er kort. 

Slide 33 - Tekstslide

OEFENEN

Slide 34 - Tekstslide

In de afbeelding is de bloedsuikerspiegel van een mens in zes perioden weergegeven.
In welke periode wordt het verloop van de grafiek veroorzaakt door de productie van glucagon?


Slide 35 - Tekstslide

Wanneer je bij een baby het handje in het midden aanraakt zal hij z’n handje sluiten. Dit noem je de grijpreflex. 

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen impulsen bij deze reflex?

Slide 36 - Tekstslide

Een klier in het lichaam maakt een hormoon met een kortdurende werking. Deze klier heeft geen afvoerbuis.
- Wat voor soort klier is dit?


- Welke klier maakt een hormoon met een kortdurende werking?


- Wat gebeurt er in het lichaam wanneer dit hormoon vrijkomt?

Slide 37 - Tekstslide

- Benoem onderdelen 1 t/m 7.


- Waar bevinden zich cellichamen van
schakelcellen?


- Aan welke zijde komen gevoelszenuwcellen
het ruggenmerg
binnen?

Slide 38 - Tekstslide

In afbeelding 2 zie je een MRI-scan van een
deel van de hals van een patiënt met een
vernauwing van het halswervelkanaal.
Op de foto is te zien dat bij de vijfde en zesde
halswervel (C5 en C6) het ruggenmerg is bekneld
door verdikkingen aan de wervels. De patiënt heeft
onder andere verlammingsverschijnselen in de
benen.
 
Leg uit waardoor beknelling van het ruggenmerg
in de hals kan leiden tot verlamming van beenspieren.

Slide 39 - Tekstslide