Deutsch am Morgen mit H3A L2

Deutsch früh am Morgen mit H3A 
H3A - Mittwoch den 12. Oktober 
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
DeutschSecondary Education

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Deutsch früh am Morgen mit H3A 
H3A - Mittwoch den 12. Oktober 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Das Programm für Heute
__________________
Check Wörterliste
Zü - In - Nach - Durch - Über
opgaves - Aufgabe 6a


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Check Wörterliste
Wir checken wieder den gelernten Wortschatz. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ich habe ... nach Hause!

Slide 4 - Open vraag

Heimweh
In der ... fahre ich nicht gern Fahrrad.

Slide 5 - Open vraag

Dunkelheit
Der Zug (tein) fährt auf ... 3 ein.

Slide 6 - Open vraag

Gleis
het legitimatiebewijs

Slide 7 - Open vraag

der Ausweis
stellen

Slide 8 - Open vraag

plaatsen, neerzetten
Antworten
Heimweh 
Dunkelheit
Gleis
der Ausweis
plaatsen, neerzetten

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antworten 1c
Berlin ist eine _____ Stadt.
Es gibt _____ Festivals.
Der Karneval ist ein ______ Fest.
Den _____ Hauptbahnhof gibt es seit 2006.
Man sitzt gern in einem _______ Straßencafé.
In Berlin leben viele ________ Modedesigner. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antworten E7
a
  • 1. am vierundzwanzigsten Zwölften
  • 2. im ersten Stock 
  • 3. zum dritten Mal; den zweiten Platz 
  • 4. ihren hundertsten Geburtstag

b
  • Sarah: weißen - blauen
  • Lena: grünen - roten

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Erklären
Zu: Personen / Orte
In: Je gaat ook naar binnen.
Nach: Landen / steden 
zonder lidwoord


  • Durch:  ergens doorheen gaan. 
  • Über: ergens overheen gaan

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Erklären
Zu: Personen / Orte
In: Je gaat ook naar binnen.
Nach: Landen / steden 
zonder lidwoord


  • Durch:  ergens doorheen gaan. 
  • Über: ergens overheen gaan

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wann benutzt mann zum statt zu?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wann benutzt mann zur statt zu?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wann benutzt mann ins statt in?

Slide 17 - Open vraag

in das = ins
Wann nutzt mann nach statt zu?

Slide 18 - Open vraag

Als iets verder weg is. 
Gaat het om een stad, land of regio? Dan gebruik je nach.

Gaat het om plekken (dichter bij / supermarkt) dan zu 
Wann nutzt mann über? Antworte auf Niederlandisch

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

             An die Arbeit!
timer
5:00000
Macht jetzt SB: S.38 Aufgabe 4a

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

an der
an der
durch den
über den
über die
über die

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

             An die Arbeit!
timer
6:00000
Mach jetzt das Arbeitsblatt im Classroom. Ihr bekommt dafür 6 Minuten.


Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aufgabe 1: Was fehlt? 


Eva: Am Sonntag fliege ich ______ England.
Tim: Du hast es gut! Ich muss Arbeiten _____ Büro gehen.
Tim: Gehen wir noch _____ Kneipe, um ein Bier zu trinken?
Eva: Nein, es ist schon spät. Ich möchte _____ Hause.
Eva: Am Wochenende sind wir ______ Köln gefahren.
Tim: Toll, seid ihr auch _____ Hohenzollernbrücke gegangen?
Eva: Ja, aber ________ Dom konnten wir nicht gehen, weil er geschlossen
war.
Tim: Wann gehen wir mal wieder _______ Theater?
Eva: Keine Ahnung, in den nächsten Wochen muss ich jeden Abend
______ Sprachkurs gehen.
Eva: Komm mit _______ Mark, er hat uns eingeladen!
Tim: Nein, ich möchte heute ______ Hause bleiben.
Tim: Möchtest du _______ Café gehen und einen Kaffee trinken?
Eva: Nein, ich muss jetzt ________ Frisör gehen.






In den / in die / ins / nach / zu / zum / zur

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aufgabe 2: Was fehlt? durch / über




Sie gehen _______ die Brücke
Wir fahren _______ Berlin.
Sie gehen _______ den Park.
Zwei Straßen laufen _______ Köln.
Wir laufen ______ das Tor.






Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

SCHLUSSFRAGE PADLET 
https://padlet.com/witteg1/m11c04dwvfagri5a

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fertig für Heute!
Hausaufgaben:
Lernen Wörter Kapitel 11 D/N N/D
Seite: 36
AB: S.39 Aufgabe 7a 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies