1-2 hv Kapitel 6 7de editie

Kapitel 6 Freizeit / Lernziele
→Je kunt vertellen wat je hobby’s zijn.
→ Je kunt vertellen wat je doet, met wie, wanneer en hoe vaak.
→ Je kunt je mening geven over activiteiten.
→Je kunt het zwakke werkwoord toepassen
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Kapitel 6 Freizeit / Lernziele
→Je kunt vertellen wat je hobby’s zijn.
→ Je kunt vertellen wat je doet, met wie, wanneer en hoe vaak.
→ Je kunt je mening geven over activiteiten.
→Je kunt het zwakke werkwoord toepassen

Slide 1 - Tekstslide

Teil I
Niederländisch-Deutsch

Slide 2 - Tekstslide

Übersetze: aan sport doen

Slide 3 - Open vraag

Übersetze: fietsen

Slide 4 - Open vraag

Rad fahren
Ich bin Rad gefahren = ik heb gefietst
werkwoorden die een beweging uitdrukken (van A naar B) worden met het hulpwerkwoord 'sein' vervoegd in de v.t.t.
Ich bin gelaufen
Ich bin geritten

Slide 5 - Tekstslide

Übersetze: de piano (lidwoord niet met een hoofdletter)

Slide 6 - Open vraag

Was ist kein Sport?
A
Tennis spielen
B
schwimmen
C
Geige spielen
D
reiten

Slide 7 - Quizvraag

soms =
A
manchmal
B
blöd
C
oder
D
langweilig

Slide 8 - Quizvraag

Welk antwoord is op jou van toepassing?
A
Ik snap het nog niet (en heb nog uitleg nodig)
B
Ik begin het te snappen (en moet vooral veel gaan oefenen)
C
Ik snap het (en kan alleen aan de slag)
D
ik snap het (en kan het anderen uitleggen

Slide 9 - Quizvraag

Teil II
die schwachen Verben

Slide 10 - Tekstslide

Hij praat
A
er redt
B
er redet
C
er redest
D
er rede

Slide 11 - Quizvraag

Jullie antwoorden
A
sie antwortet
B
sie antworten
C
ihr anworten
D
ihr antwortet

Slide 12 - Quizvraag

Reden/antworten: stam = red- /antwort-
Bij du, er/sie/es/man/w-er en ihr komt een extra -e bij de vervoeging

Slide 13 - Tekstslide

Speel jij viool?
A
Spielen du Geige?
B
Spielst du Geige?
C
Spielt du Geige?
D
Spielest du Geige?

Slide 14 - Quizvraag

Welk antwoord is op jou van toepassing?
A
Ik snap het nog niet (en heb nog uitleg nodig)
B
Ik begin het te snappen (en moet vooral veel gaan oefenen)
C
Ik snap het (en kan alleen aan de slag)
D
ik snap het (en kan het anderen uitleggen

Slide 15 - Quizvraag

Teil III
De komende vragen worden klassikaal en mondeling overhoord

Slide 16 - Tekstslide

Übersetze:
Wat doe je graag?

Slide 17 - Tekstslide

Was machst du gern?
Beanworte die Frage auf Deutsch

Slide 18 - Tekstslide

Übersetze:
Wat zijn je hobby's?

Slide 19 - Tekstslide

Was sind deine Hobbys?
Beantworte die Frage auf Deutsch

Slide 20 - Tekstslide

Übersetze und ergänze
Met wie ga je meestal ..........?

Slide 21 - Tekstslide

Mit wem gehst du meistens .....?

Slide 22 - Tekstslide

Übersetze und ergänze:
Wanneer speel je........?

Slide 23 - Tekstslide

Wann spielst du ........?
Beantworte die Fragen auf Deutsch

Slide 24 - Tekstslide

Welk antwoord is op jou van toepassing?
A
Ik snap het nog niet (en heb nog uitleg nodig)
B
Ik begin het te snappen (en moet vooral veel gaan oefenen)
C
Ik snap het (en kan alleen aan de slag)
D
ik snap het (en kan het anderen uitleggen

Slide 25 - Quizvraag