Werkwoorden in het dagelijks leven

Werkwoorden elke dag

1 / 21
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Werkwoorden elke dag

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan werkwoorden herkennen en invullen in een zin.


Deze slide heeft geen instructies

Welke werkwoorden ken jij al?

Laat leerlingen losse woorden typen, bijvoorbeeld werkwoorden uit de les of andere eenvoudige werkwoorden die zij al kennen.

Wat is een werkwoord?

Een werkwoord zegt wat iemand doet of is.


Voorbeelden:

  • lopen

  • luisteren

  • staan

  • hebben

Houd het eenvoudig op A1-niveau: een werkwoord is een doe-woord of een woord dat een toestand aangeeft. Gebruik de woorden van de les steeds opnieuw.

Werkwoorden uit deze les

  • zijn

  • hebben

  • kijken

  • maken

  • luisteren

  • poetsen

  • zien

  • staan

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekenen deze woorden?

  • kijken = met je ogen zien

  • luisteren = goed horen

  • poetsen = schoonmaken

  • maken = iets doen of maken

Leg de woorden uit met gebaren of door naar voorwerpen in de klas te wijzen. Vermijd lange definities.

Meer betekenissen

  • zijn = bestaan of iemand/iets is zo

  • hebben = iets bezitten

  • zien = met je ogen waarnemen

  • staan = rechtop op één plaats zijn

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoord in een zin

In een zin staat vaak één belangrijk werkwoord.


Voorbeelden:

  • Ik kijk naar de docent.

  • Wij luisteren naar muziek.

  • De bezem staat in de hoek.

Wijs het werkwoord in elke zin duidelijk aan. Laat zien dat het woord vertelt wat er gebeurt.

Welk woord is een werkwoord?

A

kijken

B

tafel

C

boek

D

docent

Sluit aan op de uitleg wat een werkwoord is en de lijst met werkwoorden uit deze les.

Vul het goede woord in

Ik kijk naar de docent. Wij luisteren naar muziek. De bezem staat in de hoek.

kijk
luisteren
staat
zien
maken
poetsen

Neem de voorbeeldzinnen van de vorige slide bijna letterlijk over, zodat leerlingen vooral het werkwoord herkennen.

Invullen: zijn en hebben

  • Ik _ moe.

  • Wij _ een boek.

  • De tafel _ groot.

  • Jullie _ twee pennen.

Antwoorden: ben/zijn afhankelijk van uitleg? Omdat alleen infinitieven in de les staan, houd het hier functioneel eenvoudig en bespreek mondeling: ben, hebben, is, hebben. Focus op herkennen en passend invullen.

Invullen: kijken, luisteren, poetsen

  • Ik _ naar de televisie.

  • Wij _ naar de radio.

  • Zij _ haar tanden.

Bespreek de plaatjes eerst kort, zodat beeld de betekenis ondersteunt. Mogelijke antwoorden: kijk, luisteren/luisteren naar? Op A1-niveau mondeling helpen naar juiste persoonsvorm: kijk, luisteren/luisteren wordt luisteren als infinitief herkend maar in de zin is luister(en) afhankelijk van niveau. Corrigeer zacht.

Invullen: maken, zien, staan

  • Ik _ mijn huiswerk.

  • Wij _ een vogel.

  • De fiets _ buiten.

Doel is woordenschat koppelen aan context. Geef mondeling de passende vormen: maak, zien/zien, staat. Bij ISK 1 is begrip belangrijker dan volledige grammaticale analyse.

Kies het goede werkwoord

  • Ik _ een appel. (heb / kijk)

  • Wij _ naar de docent. (luisteren / staan)

  • De stoel _ naast de tafel. (staat / ziet)

Deze slide helpt bij betekenisonderscheid. Lees elke zin hardop en koppel aan de afbeelding.

Korte zinnen met werkwoorden

  • Ik ben in de klas.

  • Ik heb een tas.

  • Ik kijk naar het bord.

  • Ik luister naar de docent.

  • Ik maak mijn werk.

  • Ik zie mijn boek.

  • De bezem staat daar.

Gebruik deze slide als samenvatting. Laat leerlingen de zinnen horen en nazeggen, maar zet dat niet op de slide.

Welk woord past? Ik ___ een boek.

A

kijk

B

heb

C

sta

D

poets

Controleert betekenis van hebben in een eenvoudige zin.

Vul de werkwoorden in

Ik ben in de klas. Ik heb een tas. Ik maak mijn werk. De bezem staat daar.

ben
heb
maak
staat
zie
luister
poets
kijk

Gebaseerd op de samenvattingszinnen van slide 11. De lege plekken zijn betekenisdragende werkwoorden.

Wat heb jij geleerd?

Reflectie zonder fout of goed. Mogelijke antwoorden: een werkwoord herkennen, zijn en hebben invullen, kijken/luisteren/poetsen gebruiken in een zin.

Welk werkwoord onthoud jij?

Gebruik de uitkomst als korte afsluiting: laat enkele leerlingen hun gekozen werkwoord in een zin zeggen.

Woordenlijst

werkwoord - een woord dat zegt wat iemand doet of is

zijn - bestaan of zo zijn

hebben - iets bezitten

kijken - met je ogen ergens naar zien

maken - iets doen of iets maken

luisteren - goed horen naar geluid of iemand

poetsen - schoonmaken

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

zien - met je ogen waarnemen

staan - rechtop op één plaats zijn

zin - woorden samen met betekenis

invullen - het goede woord in een lege plek zetten

Deze slide heeft geen instructies