Grammar: adjectives and adverbs

Welcome! 
** vocabulary 
*grammar bijwoord & bijvoeglijk naamwoord


1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Welcome! 
** vocabulary 
*grammar bijwoord & bijvoeglijk naamwoord


Slide 1 - Tekstslide

Wat betekent
"to have a light-bulb moment"
A
Het licht gaat aan
B
De lamp is kapot
C
Een moment van inspiratie hebben
D
Ergens voor bedanken

Slide 2 - Quizvraag

Hoe heb je het gedaan?
A
Alles goed
B
meer dan de helft goed
C
minder dan de helft goed

Slide 3 - Quizvraag

Complete the next sentence:
They ...... that he is the ...... of his team. The team reach a ...... score of +20.
A
realise, top scorer, final
B
realise, natural, previous
C
repeat, purchase, natural
D
charge, top scorer, tool

Slide 4 - Quizvraag

Kies het juiste woord:
I'm going to put the money
into my ........
A
furniture
B
note book
C
bank account
D
keyboard

Slide 5 - Quizvraag

An other word for
'feeling sick on a boat'
A
unpredictable
B
cool down
C
recharge
D
seasickness

Slide 6 - Quizvraag

Choose the wright word:
Cars are made in a .......
A
wallpaper
B
purchase
C
creature
D
factory

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het Engels woord voor
poort
A
invention
B
gate
C
test
D
progress

Slide 8 - Quizvraag

An other word for
"a good plan to win a game"
A
to have a strategy
B
to have an invention
C
to have knowledge
D
to have an item

Slide 9 - Quizvraag

Complete the sentence:
A hamer is a ...........
A
showcase
B
tool
C
winner
D
creature

Slide 10 - Quizvraag

Adjective or adverb?
She is a beautiful person.

A
Adjective (bijvoegelijknaamwoord)
B
Adverb (bijwoord)

Slide 11 - Quizvraag

Hoe zeg je in het Engels:
Dus dat is hij van plan.
A
To raise his game
B
So that's his game.
C
He is new to this game.
D
To toy with an idea

Slide 12 - Quizvraag

Vandaag...
Vandaag gaan we naar de adjectives and adverbs
(bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden) kijken.

Doel: - je weet je het verschil tussen een adjective en adverb 
            - je weet wanneer deze te gebruiken


Slide 13 - Tekstslide

Geef voorbeelden van
een zelfstandig naamwoord

Slide 14 - Woordweb

Zelfstandig & bijvoegelijk naamwoord...
Een bijvoegelijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
Het mooie meisje
De knappe jongen
een blauwe stoel
Een zelfstandig naamwoord is een ding, dier of mens en je kunt er vaak de, het of een voor zetten.

Slide 15 - Tekstslide

bijvoegelijk naamwoord - adjective...

Wanneer gebruik je een bijvoeglijk naamwoord?
Basisregel:

een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.    

A beautiful car. ("beautiful" zegt iets over "the car".)
Een bijvoeglijk naamwoord hoef je niet te veranderen, je kunt het zo overschrijven.
 

Slide 16 - Tekstslide

bijwoord- adverb...
Wanneer gebruik je een bijwoord?
Basisregel: een bijwoord zegt iets over een werkwoord
(actie in de zin).

Madonna sings beautifully. ("beautifully" zegt iets over "sings".)
Hoe maak je een bijwoord?

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Uitzondering - 1 -
Let op!
Er zijn onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden 

He is a good singer   vs He sings well 
He drives a fast car   vs He drives fast
The rope is long          vs It took long to finish the assignment 


Slide 19 - Tekstslide

Uitzondering - 2 -
Let op!
Bij de volgende werkwoorden gebruik je een bijvoeglijk naamwoord en niet een bijwoord. 
To be          = zijn                                           To smell     = ruiken
To seem    = lijken                                       To sound   = klinken
To feel        = voelen                                    To taste      = proeven
To look       = kijken / eruit zien


Slide 20 - Tekstslide

Adjective or adverb?
She sings beautifully.

A
Adjective (bijvoegelijknaamwoord)
B
Adverb (bijwoord)

Slide 21 - Quizvraag

Adjective or adverb?
She looks nice.

A
Adjective (bijvoegelijknaamwoord)
B
Adverb (bijwoord)

Slide 22 - Quizvraag

Slide 23 - Link

Ik weet het verschil tussen een adverb en adjective en kan deze toepassen.
A
ja
B
nee
C
een beetje
D
met hulp

Slide 24 - Quizvraag

Huiswerk
Maak online:  Test yourself

Heb je een score lager dan 55 %,
dan neem je alles nog een keer goed door en 
maak je ook de 2de test yourself 


Slide 25 - Tekstslide