Commercieel H8 | Hoe verkoop ik artikelen

Hoe verkoop ik artikelen?
Commercieel H8
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Hoe verkoop ik artikelen?
Commercieel H8

Slide 1 - Tekstslide

Heb je wel eens een verkoper om advies gevraagd? Hoe ging dat?

Slide 2 - Tekstslide

Ben je wel eens een vervelende verkoper tegengekomen? Waaraan stoorde jij je?

Slide 3 - Tekstslide

Wat ga je leren?
  • Wat een verkoopgesprek is en uit welke fases het bestaat
  • Welke zaken invloed hebben op het verkoopgesprek
  • Verkoopgesprek voeren
  • Kassa en scanner gebruiken
  • Correcties uitvoeren
  • Afrekenen
  • Veilig werken en derving voorkomen
  • Klantgericht handelen en service verlenen

Slide 4 - Tekstslide

Verkoopgesprek
= Een gesprek waarin je een klant informatie en/of advies geeft.

Doel -> verkopen van artikelen of een dienst.

3 zaken hebben invloed op een verkoopgesprek:
  1. Koopgedrag
  2. Verkoopsysteem
  3. Winkelformule


Slide 5 - Tekstslide

Koopgedrag
= de manier waarop de klant zich gedraagt in de winkel.

-> om de klant te begrijpen, moet je goed kunnen communiceren. Dit is het overbrengen van één of meer boodschappen. 
Dit kan op 2 manieren:
  1. Verbale communicatie: Gebruik je woorden
  2. Non-verbale communicatie: Geen woorden, maar lichaamstaal

Slide 6 - Tekstslide

Verkoopsysteem = bedieningssysteem
Het verkoopsysteem geeft aan op welke manier de artikelen in een winkel worden verkocht.


Slide 7 - Tekstslide

Winkelformule

De manier waarom goederen of diensten verkocht worden aan de klant.

Dit bepaalt de winkel door te bepalen:

  • Doelgroep
  • Marktpositie
  • Marketingmix

Slide 8 - Tekstslide

Verkoopfases
  1. De ontmoeting
  2. Het gesprek
  3. De afronding

Slide 9 - Tekstslide

Fase 1: De ontmoeting
= 1e contact met de klant. Je gaat de klant observeren.

Hoe spreek je de klant aan?
  • Altijd met 'u'.
  • Je kijkt de klant aan als je tegen hem praat of luistert.
  • Je spreekt duidelijk en verzorgd Nederlands.
  • Je bent vriendelijk.

Slide 10 - Tekstslide

Fase 1: De ontmoeting
Het moment waarop je de klant aanspreekt = inspringmoment.

Wat is een goed inspringmoment?
  • De klant kijkt zoekend om zich heen.
  • De klant heeft al een paar keer een artikel gepakt en weer teruggezet.
  • De klant probeert een artikel te pakken, maar kan er niet goed bij.

Slide 11 - Tekstslide

Fase 2: Gesprek
Tijdens deze fase ga je er proberen achter te komen wat de klant wil kopen. 
Koopweerstand = als een klant twijfelt. --> je vraagt dan waarom hij aarzelt en geeft hem vervolgens passend advies.
Gesprek bestaat uit 4 onderdelen, namelijk:
  1. Onderzoek doen 
  2. tonen of demonstreren
  3. Verwijzen
  4. Adviseren

Slide 12 - Tekstslide

Fase 2: Gesprek
Onderzoek doen:
  • Koopwens: een klant komt naar je winkel om iets te kopen
  • Koopbehoefte: een klant komt naar je winkel omdat hij iets nodig heeft.
  • Koopmotief: de reden waarom de klant naar de winkel komt en een artikel koopt.

Slide 13 - Tekstslide

Fase 2: Gesprek
  1. Rationeel koopgedrag = De klant heeft goed nagedacht voordat zij iets koopt.
  2. Emotioneel koopgedrag = Je koopt iets omdat je het mooi vindt en niet kan laten staan.

Slide 14 - Tekstslide

Fase 2: Gesprek
Bijverkoop = In een winkel verkoop je ook vaak artikelen die andere artikelen (hoofdartikelen) aanvullen.

Plaatsvervange verkoop = Als het gezochte artikel niet aanwezig is en de klant toch een ander artikel koopt.

Slide 15 - Tekstslide

Fase 3: Afronding
  • Je rekent af
  • Bespreekt de levering (leverings- en betalingsvoorwaarden)
  • Pakt het mooi in
  • Je neemt afscheid (fijne dag wensen)

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Klantgericht handelen
= tegemoetkomen aan de wensen en behoeftes van de klant. Klantgericht handelen houdt het volgende in:

  • beleefd zijn
  • respect tonen
  • aandacht schenken
  • informatie geven.

Slide 18 - Tekstslide

Service verlenen
Persoonlijke service = is alle service die een verkoper zelf verleent aan de klant. 
Bijv. Je biedt een klant in een tapijtzaak een kopje koffie aan.
Je houdt de deur open voor een klant met een kinderwagen.
 
Niet-persoonlijke service = alle service die een retailer verleent aan alle klanten. Bijv. garantie, speelhoek, servicebalie

Slide 19 - Tekstslide

Wat als een klant boos is?
Soms kan de agressie van een klant tegen jou persoonlijk zijn gericht. Houd je in dat geval aan de STOP-formule, waarbij de letters STOP staan voor:

  • Stoom afblazen: de klant (even) laten uitrazen.
  • Tot de orde roepen: de klant terechtwijzen.
  • Opnieuw beginnen: opnieuw een gesprek aanknopen.
  • Passen bij herhaling: het gesprek stoppen zodra de klant weer agressief wordt

Slide 20 - Tekstslide