paso adelante hoofdstuk 2

Herhaling
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansHBO

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Herhaling

Slide 1 - Tekstslide

Vertaal: wat wil je?

Slide 2 - Open vraag

Vertaal: Wie is zij?

Slide 3 - Open vraag

Vertaal: Nee, dit is alles. Tot ziens

Slide 4 - Open vraag

Vertaal: Hallo/ Goedendag. Hoe gaat het met jou?

Slide 5 - Open vraag

Vertaal: Ik zoek de school. Waar is die?

Slide 6 - Open vraag

Vertaal: is het naast de bioscoop?

Slide 7 - Open vraag

Vertaal: nee, het is dichtbij

Slide 8 - Open vraag

Vertaal: vind je winkelen leuk?

Slide 9 - Open vraag

Vertaal: zullen we samen naar het centrum gaan?

Slide 10 - Open vraag

Vertaal: het is linksaf

Slide 11 - Open vraag

Vertaal: ja, er zijn twee winkelcentra in deze stad

Slide 12 - Open vraag

Los verbos regulares

Slide 13 - Tekstslide

VIVO
VIVES
VIVE
VIVIMOS
VIVEN
VIVÍS

Slide 14 - Sleepvraag

estudiar
nosotros
A
estudian
B
estudiamos
C
estudio
D
estudias

Slide 15 - Quizvraag

vivir
yo
A
viven
B
vivo
C
vivís
D
vive

Slide 16 - Quizvraag

comer

A
comes
B
coméis
C
como
D
comen

Slide 17 - Quizvraag

trabajar
ellos
A
trabajas
B
trabajo
C
trabajan
D
trabaja

Slide 18 - Quizvraag


Carmen y Rosa (vivir) ... en Sevilla.
A
vivimos
B
vivís
C
viven
D
vivo

Slide 19 - Quizvraag


Carmen y tú (comer) ... patatas fritas.


A
comen
B
coméis
C
comemos
D
comes

Slide 20 - Quizvraag

El fin de semana
El kilo
Las patatas
Los dulces
La casa

Slide 21 - Sleepvraag

¿cómo?
¿qué?
¿cuánto?
¿quién?
¿dónde?
¿cuándo?
¿cuál?
wie
hoe
waar
wanneer
hoeveel
wat
welke

Slide 22 - Sleepvraag

knap
Bekijken
ik vind leuk
ongeveer
mooi
mirar 
bonito
guapo
alrededor
me gusta

Slide 23 - Sleepvraag

Welke kenmerken horen bij
HAY?

Slide 24 - Woordweb

Welke kenmerken horen bij
ESTAR?

Slide 25 - Woordweb

Welke kenmerken horen bij
SER?

Slide 26 - Woordweb

Hay, estar of ser?
En esta cocina no......microondas
A
hay
B
está
C
es

Slide 27 - Quizvraag

Hay, estar of ser?
Mi padre ....... en la cocina.
A
hay
B
está
C
es

Slide 28 - Quizvraag

Om iets te zeggen over het karakter of over hoe groot iemand is, gebruik je het werkwoord SER of ESTAR
Schrijf hieronder een zin met dat werkwoord (uiteraard vervoegd).

Slide 29 - Open vraag

Als je in het Spaans wilt zeggen dat je vader bij de politie werkt, zeg je:
A
Mi padre está policía.
B
Mi padre trabaja como policía.
C
Mi padre es policia.
D
Mi padre tiene policía

Slide 30 - Quizvraag

¿SER o ESTAR?
  1. Yo... de Madrid, ellos.... de Moscú y vosotras.... de París.
  2. Tú .... alto y yo .... bajo. Nosotros .... jóvenes.
  3. Mi madre .... abogada y mi padre .... profesor. Ellos .... muy profesionales.
  4. Madrid ...... en el centro de España. ....... la capital de este país.
  5. Ámsterdam y Bruselas ...... en el norte de Europa.
  6. Vosotros ...... en la clase y ...... muy cansado.
  7. ¿Qué tal, María?   -Fatal, yo ..... enferma, casi toda la semana. ¿Y tú? ¿Cómo ......?
  8. La mujer de Miguel .... muy simpática, pero Miguel..... un tío aburrido. Pero ellos ...... muy amables.  
  9. Esta semana, vosotros.... en Bogotá y nosotros ......en Estambul. 
Solucionario 1: soy, son, sois. 2: eres, soy, somos 3:. es, es, son. 4:.está, están.5: estáis, estáis
6. estoy, estás.  7. es, es, son. 8. estáis, estamos.

Slide 31 - Tekstslide