Orthopedagogiek - Les 5 + 6 samen(dyslexie, dyscalculie, TOS, faalangst)

Orthopedagogiek
Lesplanning:

- 5 min: terugblik vorige les
- 25 min: instructie leerproblemen deel 1
- 20 min: zelfstandig werken
- 20 min: instructie leerproblemen deel 2
 
 
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
orthopedagogiekMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Orthopedagogiek
Lesplanning:

- 5 min: terugblik vorige les
- 25 min: instructie leerproblemen deel 1
- 20 min: zelfstandig werken
- 20 min: instructie leerproblemen deel 2
 
 

Slide 1 - Tekstslide

Opgroeien als KOPP/KOV kan verschillende gevolgen hebben, wat klopt er niet?
A
Geleerd hebben om eigen grenzen aan te geven
B
Vaker mantelzorger zijn als volwassene
C
Moeite met het aangaan van relaties
D
Meer kans op psychische problemen

Slide 2 - Quizvraag

Noem een voorbeeld van een systeem waarin jij opgroeit

Slide 3 - Open vraag

Waar moet je op letten bij het opstellen van een familieopstelling?

Slide 4 - Open vraag

Welke leerproblemen/leerstoornissen kan je tegenkomen als je werkt in het (speciaal) onderwijs?

Slide 5 - Woordweb

Orthopedagogiek binnen het (speciaal) onderwijs
Diverse leerproblemen kom je tegen wanneer je werkt in het (speciaal) onderwijs. Denk aan:

- Dyslexie
- Dyscalculie
- NLD (non verbal learning disabilities) 
- TOS (taalontwikkelingsstoornis)
- Faalangst

Deze week dyslexie & dyscalculie, volgende week de anderen.

Slide 6 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les weet je wat dyslexie & dyscalculie inhoudt
Aan het einde van de les kun je kenmerken benoemen bij deze leerstoornissen
Aan het einde van de les kun je een samenvatting geven van deze leerstoornissen
Aan het einde van de les kun je deze leerstoornissen herkennen en bij de juiste begrippen plaatsen



Slide 7 - Tekstslide

Wat weet je al over dyslexie?

Slide 8 - Woordweb

Wat is dyslexie?
“Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau.”

ls aan de volgende twee criteria wordt voldaan, spreken we volgens de SDN van dyslexie:
1. Het vaardigheidsniveau van lezen op woordniveau en/of spelling ligt onder niveau wat verwacht kan worden binnen de persoon.
2. Het probleem in het aanleren en toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau blijft bestaan, ook er veel ondersteuning en hulp geboden is.

Slide 9 - Tekstslide

Kenmerken dyslexie
Verschil horen tussen klanken
E, EU, UI, A
Klanken in volgorde zetten
Dorp, drop 12/21 
Onthouden van losse gegevens
Rijtjes, woorden en jaartallen
Onthouden van..
gezegdes, uitdrukkingen of woordcombinaties
Aanleren van reeksen
Tafels of spellingsregels

Slide 10 - Tekstslide

Vormen van lezen

  •  Anticiperend lezen: radend lezen, scannend lezen, waarbij er wordt gekozen voor woorden die in de context passen. Er wordt bijvoorbeeld ‘poes’ gelezen, als er ‘kat’ staat.

  •  Gokkend lezen: Bij onvoldoende leestechniek slaat
het raden om in gokken en passen de woorden niet in de context: er wordt bijvoorbeeld ‘zwart’ gelezen in plaats van ‘zwaan’.

  • Spellend lezen: er wordt letter voor letter gelezen. 

Slide 11 - Tekstslide

Hoe wordt dyslexie vastgesteld?
  • Diagnostisch onderzoek uitgevoerd door psycholoog of orthopedagoog
  • Diagnose gesteld door GZ-psycholoog

Lees- en spellingtoetsen worden afgenomen
Intelligentietest wordt afgenomen
Verklaringen gezocht voor achterstand - wel / geen dyslexie

Slide 12 - Tekstslide

Bijkomende problemen
  1. Moeite met automatiseren (te merken tijdens rekenles)
  2. Korte termijn geheugen en werkgeheugen werkt anders (minder zaken tegelijk onthouden)
  3. Bij lezen van teksten moeilijk hoofd- en bijzaken onderscheiden
  4. Lastig, moeilijk, teruggetrokken of anders afwijkend gedrag in de klas

Herkent iemand deze zaken vanuit een eigen situatie of van iemand uit de omgeving? Of kan je aanvullen?

Slide 13 - Tekstslide

2

Slide 14 - Video

01:44
Wat vind je ervan hoe deze leerlingen zich voelen? Hoe zou jij met deze gevoelens omgaan?

Slide 15 - Open vraag

06:18
Wat vind je van de oplossingen die er door de leerlingen geboden worden?

Welke zou jij zelf als begeleider ook toe willen passen?

Slide 16 - Open vraag

Wat is het verschil tussen dyslexie en dyscalculie?

Slide 17 - Open vraag

Dyscalculie

Slide 18 - Tekstslide

Wat is dyscalculie? 
Dyscalculie betekent letterlijk ‘niet kunnen rekenen’. Het is net als bij dyslexie in feite een andere term
voor ernstige en hardnekkige problemen bij het aanleren van bepaalde schoolse vaardigheden.

 In dit geval zijn dat problemen met het leren oproepen en toepassen van reken- en
wiskundekennis. 

Ongeveer 3-4% van de kinderen heeft in meer of mindere mate last van dyscalculie

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Dyscalculie?!
Het cijfer drie wordt op verschillende manieren opgeslagen in de hersenen:
- Het woord drie;
- Het cijfer 3;
- De hoeveelheid 3.

Deze drie aspecten bevinden zich in drie verschillende hersengebieden. 

Waar gaat het mis?!

Slide 21 - Tekstslide

Bijkomende problemen
  1. Vaak een lager werktempo
  2. Moeite om informatie te ordenen en organiseren
  3. Andere werking van geheugen (net als bij dyslexie)
  4. Moeite met plannen (slecht tijdsbesef)
  5. Sociaal-emotionele problemen

Hoe zou jij hier als begeleider mee om willen gaan?

Slide 22 - Tekstslide

Aan de slag! 
Maken Forms 'test jezelf dyslexie/dyscalculie', wordt gedeeld via een opdracht in Teams

Daarna verder met uitwerken portfolio opdracht 2

Slide 23 - Tekstslide

NLD
= Nonverbal Learning Disabilities of niet verbale leerstoornis (geen officiële DSM classificatie)

Praten gaat prima, leren gaat moeizaam
Problemen met ruimtelijk inzicht en oorzaak-gevolgrelaties 
             --> rekenen en begrijpend lezen is moeilijk
Houterige grove motoriek en minder ontwikkelde fijne motoriek 
            --> slecht handschrift

Slide 24 - Tekstslide

TOS 
= taalontwikkelingsstoornis in taalbegrip of taalproductie

  1. Specifieke TOS -> TOS staat op de voorgrond, geen specifieke oorzaak te vinden
  2. Niet-specifieke TOS -> taalontwikkeling verloopt vertraagd of anders als gevolg van ander probleem (ADHD, autisme, auditieve beperking, ontwikkelingsstoornis etc.)

Moeite op school door niet begrijpen van de taal om hen heen

Slide 25 - Tekstslide

TOS 

Slide 26 - Tekstslide

Kinderen met TOS ondersteunen
  • Veel vertrouwen te tonen in het kind.
  • Geduld te hebben als het kind iets wil uitleggen aan je.
  • Taalfouten ‘ongemerkt’ te verbeteren, door het zelf goed te herhalen.
  • Het kind een plek te geven waar hij jou goed kan zien praten.
  • Je uitleg kort te houden en te herhalen.
  • Te zorgen voor een rustige omgeving: dat helpt het kind focussen op de taal (die zo lastig is).
  • Geen onverwachte beurt te geven.

Slide 27 - Tekstslide

Faalangst
 
...is de angst om niet goed te presteren. 
En die angst werkt belemmerend.


Slide 28 - Tekstslide

Hoeveel procent van de jongeren heeft last van faalangst?
A
1-3%
B
4-6%
C
7-9%
D
10-20%

Slide 29 - Quizvraag

Wat denk je dat de gevolgen zijn van faalangst?

Slide 30 - Open vraag

Wat gebeurt er bij faalangst?
     Adrenaline / noradrenaline    


                                                                                  vechten
                                                                                  vluchten
                                                                                  bevriezen

Slide 31 - Tekstslide

Wat gebeurt er bij faalangst?


Er valt een klein jongetje in de vijver. Je bedenkt je niets en springt er achter aan om hem te redden!
Dat is VECHTEN.

Slide 32 - Tekstslide

Wat gebeurt er bij faalangst?

Je loopt de straat op om over te steken. Op het moment dat je de straat op loopt, hoor je een keiharde claxon. Je vlucht van de weg en red jezelf. Dat is VLUCHTEN.

Slide 33 - Tekstslide

Wat gebeurt er bij faalangst?

Soms ben je zo angstig dat je niet meer kunt vechten en vluchten!
Dan BEVRIES je.
BLACK OUT

Slide 34 - Tekstslide

Tips bij faalangst
      Zet negatieve gedachten in positieve gedachten om, bijv.:

       Dit doe ik niet,                                      Ik probeer het net zo lang
       het lukt toch niet                                totdat het lukt!
                                                                     

Slide 35 - Tekstslide

Hoe zou jij omgaan met een persoon met faalangst?

Slide 36 - Open vraag

Wat zijn jouw ervaringen met faalangst?

Slide 37 - Open vraag