Spelling blok 3 opdr 4-5-6-7 (rvl)

Spelling

BLOK 3 meervoud van zelfstandige naamwoorden
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Spelling

BLOK 3 meervoud van zelfstandige naamwoorden

Slide 1 - Tekstslide

nakijken opdracht 2
1 Word jij na het feest door iemand opgehaald? 
2 Hoeveel kilometer rijdt je vader per jaar met de auto?
3 Waarom vind jij Spanje zo’n leuk vakantieland?
4 Raad jij eens wie er vanavond op bezoek komt.
5 Wordt je broer dit jaar kampioen, denk je?
6 Als je vaak lacht, word je minder snel ziek.

Slide 2 - Tekstslide

nakijken opdracht 3.1

 mango’s ananassen
 stokbroden bananen
 pizza’s wc-rollen
 druiven contactlenzen
 rijst panty’s

nakijken opdracht 3.2

 a bij stokbrood, banaan
 b bij ananas, wc-rol
 c bij druif, contactlens
 d bij mango, pizza, panty
 e bij rijst

Slide 3 - Tekstslide

regels spelling meervoud
  • Meestal -en of -s achter het woord
  • Soms  haal je een klinker weg
  • Soms voeg je een medeklinker toe
  • Klopt de uitspraak niet, doe je -'s
  • f wordt v, s wordt z
  • Als een woord eindigt op -ee,  komt er -ën achter
  • of je hebt een gek meervoud

Slide 4 - Tekstslide

vaak komt er - en of -s achter
bord – borden
tafel – tafels
actie – acties

Slide 5 - Tekstslide

Als een znw eindigt op  - ee dan schrijf je er -ën achter
zee - zeeën
orchidee - orchideeën




Slide 6 - Tekstslide

Soms moet je een klinker weghalen of medeklinker toevoegen.


vraag – vragen
blik – blikken

Slide 7 - Tekstslide

Als er een verkeerde uitspraak kan ontstaan, schrijf je ’s.

opa – opa’s
ski – ski’s
piano – piano’s
accu – accu’s
hobby – hobby’s
(maar: deejay – deejays)

Slide 8 - Tekstslide

Een f wordt vaak een v, een s wordt vaak een z.

golf – golven
buis – buizen
(maar: kaars – kaarsen)

Slide 9 - Tekstslide

Soms hoor je het... 
Sommige znw hebben een meervoud wat niet volgens de regels gaat. Vaak hoor je dan hoe je het moet schrijven. 

blad – bladeren
schip – schepen

Slide 10 - Tekstslide

Soms is er geen meervoud
Van sommige woorden bestaat alleen maar enkelvoud. 

sla
muziek
kleren
hersens/hersenen

Slide 11 - Tekstslide

Wat is het meervoud van...?
tomaat
A
tomaaten
B
tomaten

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
lama
A
lama's
B
lamaas

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
ski
A
skies
B
ski's
C
skieën

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
spray
A
sprays
B
spray's
C
sprayen

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
microgolf
A
microgolfen
B
microgolfs
C
microgolven

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
slee
A
slees
B
slee's
C
sleeën

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
twee
A
twees
B
twee's
C
tweeën

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
schip
A
schepen
B
schippen
C
schips

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
appel
A
appels
B
appelen
C
appellen

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
lepel
A
lepelen
B
lepels

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
stoel
A
stoelen
B
stoels

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het meervoud van...?
leraar
A
leraren
B
leraaren

Slide 23 - Quizvraag

Huiswerk

Maak opdracht 4-5-6-7
blz 146/147

Slide 24 - Tekstslide