2.5 tijd niveau 4

2.5 Tijd

Niveau 4

1 / 12
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenMBOStudiejaar 1-4

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

2.5 Tijd

Niveau 4

Inhoud

  • Uitleg

  • Voorbeeld

  • Opdrachten maken

Schattend rekenen met tijd

Als je schattend rekent met tijd, dan bepaal je hoelang iets ongeveer duurt of hoeveel tijd iets ongeveer kost.

Van sommige activiteiten weet je hoelang ze ongeveer duren:


  • Een wandeling van 5 kilometer duurt ongeveer 1 uur.

  • Je fietst 15 tot 20 kilometer in ongeveer 1 uur.

  • Je rijdt met de auto op de snelweg 100 tot 130 kilometer in ongeveer 1 uur.

  • Een zachtgekookt ei leg je ongeveer 4 minuten in kokend water. Een hardgekookt ei kook je ongeveer 10 minuten.

  • Een gerecht met bladerdeeg bak je in ongeveer 15 tot 20 minuten in de oven.


Uitleg

  • Voor tijd zijn een aantal vaste eenheden

Uitleg

Rekenen met dagen en maanden op de kalender

Stopwatch

  • Op de stopwatch zie je de tijd waarin Nancy 10 km heeft hardgelopen. Ze heeft de afstand binnen een uur kunnen lopen: in 58 minuten, 37 seconden en 41 honderdsten van een seconde.

Voorbeeld

  • Irem doet mee aan een fitchallenge. Ze probeert in 10 weken zo veel mogelijk uren te bewegen. Met een app op haar telefoon houdt ze bij hoeveel minuten ze sport. Aan het eind van de challenge bekijkt ze haar minutenaantal, dat zijn 4.290 minuten. Hoeveel uur en minuten heeft ze bewogen?

A

71 uur en 30 minuten

B

66 uur en 15 min

C

75 uur en 45 minuten

D

71 uur en 50 min

Uitwerking

  • 4.290 : 60 = 71,5 uur

  • Let op: wat je achter de komma overhoudt, moet je vermenigvuldigen met 60 om het aantal minuten uit te rekenen. Want 0,5 uur is geen 50 minuten maar een half uur (30 min).

Een wasprogramma duurt 97 minuten. Afgesproken is dat je na 21:30 uur niet meer wast. Hoe laat kun je uiterlijk de wasmachine aanzetten? Rond af naar beneden op een kwartier.


Uiterlijk zet je de wasmachine aan om (......):(.....) uur.


A

19:45 uur

B

20:45 uur

C

19:30 uur

D

20:30 uur

Uitwerking

21:30 uur


60 minuten af (1 uur)


20:30 uur


37 minuten over haal 30 minuten ervan af


20:00 uur


7 minuten eraf


19:53 minuten --> naar een kwartier beneden afronden! DUS 19:45 uur!

Opdrachten maken

  • 2.5 Tijd opdracht 3 t/m 10




Toetsweek

Hoofdstuk 2 Grootheden en eenheden

2.1 t/m 2.5


De toets is op papier!! Neem een pen en rekenmachine mee AUB!