Leesboekje het lichaam

Leesboekje het lichaam
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Leesboekje het lichaam

Slide 1 - Tekstslide

Wat doe jij?
Wat doe jij met je oren? 

Wat doe jij met je ogen? 

Wat doe jij met je mond?

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen


  • Ik ken de betekenis van de werkwoorden: zitten, pakken, wijzen, hebben, kijken, horen, zijn, staan, leren
  • Ik kan zinnen maken met deze werkwoorden
  • Ik kan zinnen uit het leesboekje lezen en begrijpen.


Slide 3 - Tekstslide

de rugpijn
de zakdoek
de hoofdpijn
de tandenborstel
de zeep
de verkoudheid
de handdoek
de pillen
de griep
de tandpasta

Slide 4 - Sleepvraag

Slide 5 - Link

Waar zitten de darmen?
A
in je bouk
B
in je borst
C
in je buik
D
in je billen

Slide 6 - Quizvraag

Wat zit er in je borst?
A
je hart
B
je longen
C
je longen en je hart
D
tandpastaa

Slide 7 - Quizvraag

Leesvraag pagina 3.
Hoeveel armen heb je?
timer
0:30

Slide 8 - Open vraag

Leesvraag pagina 3.
Hoe heet de kleinste vinger?
timer
0:30

Slide 9 - Open vraag

Leesvraag pagina 3.
Wat zit er aan je voeten?
timer
0:30

Slide 10 - Open vraag

Leesvraag pagina 4.
Wat heeft de man op zijn kin en op zijn wangen?
timer
0:30

Slide 11 - Open vraag

Leesvraag pagina 4.
Wat heeft de man onder zijn neus?
timer
0:30

Slide 12 - Open vraag

Leesvraag pagina 4.
Waar zitten de hersenen?
timer
0:30

Slide 13 - Open vraag

Leesvraag pagina 4.
Wat doet het hart?
timer
0:30

Slide 14 - Open vraag

Leesvraag pagina 4.
Waar zitten de darmen?
timer
0:30

Slide 15 - Open vraag

Wat doe je als je ziek bent?
timer
0:30

Slide 16 - Open vraag

Vul het werkwoord in
  1. Jij ___ twee armen en twee handen. → hebben
  2. De juf ___ met haar wijsvinger naar het raam.→ wijzen
  3. In het hoofd ___ de hersenen→ zitten
  4. Kijk naar de afbeelding. Schrijf een zin op uit het leesboekje met dat werkwoord.


Slide 17 - Tekstslide

Werk samen
Draai de spinners.
Maak een zin met de persoon en het werkwoordn.
Bijvoorbeeld:
hij - wassen
Hij wast de handdoeken in de wasmachine.

Slide 18 - Tekstslide

Hoe vond je de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll