T1 Viajes y Aventuras 10 de marzo

1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
spaansMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¿Cómo te sientes hoy?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

EXPECTATIVAS

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Objetivos
Al finalizar la clase podré...
Aan het einde van de les kan ik...


  • identificar el pretérito perfecto en textos o frases. / de voltooid tegenwoordige tijd (pretérito perfecto) herkennen in teksten of zinnen.

  • expresar acciones que han empezado en el pasado y tienen conexión con el presente. / acties uitdrukken die in het verleden zijn begonnen en een verband hebben met het heden.

    Slide 4 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    REPASO

    Slide 5 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Slide 6 - Link

    Deze slide heeft geen instructies

    ¿Qué acción es?
    A
    llegar
    B
    caminar
    C
    pasear
    D
    llevar

    Slide 7 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    ¿Qué acción es?
    A
    explorar
    B
    caminar
    C
    recoger
    D
    comer

    Slide 8 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    ¿Qué acción es?
    A
    descansar
    B
    organizar
    C
    preparar
    D
    visitar

    Slide 9 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    ¿Qué acción es?
    A
    reservar
    B
    viajar
    C
    alojarse
    D
    alquilar

    Slide 10 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    timer
    1:00
    Actividades de viaje

    Slide 11 - Woordweb

    Deze slide heeft geen instructies

    Actividades de gramática

    Slide 12 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Lee las oraciones
    Hoy he viajado en tren.
    Esta semana he estudiado español.
    En mis vacaciones he visitado un museo.
    ¿Estas acciones son pasado, presente o futuro? / Zijn deze acties verleden, heden of toekomst?

    ¿Cuándo han pasado? ¿Hoy, ayer o hace mucho? / Wanneer zijn ze gebeurd? Vandaag, gisteren of lang geleden?

    Slide 13 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Wanneer gebruik je niet de Pretérito Indefinido (Voltooid Tegenwoordige Tijd)?
    A
    Als een gebeurtenis vandaag is gebeurd.
    B
    Als een gebeurtenis geen concrete tijdsaanduiding heeft (nooit, vaak).
    C
    Om te verwijzen naar acties uit het verleden die volledig zijn voltooid.
    D
    Als de gebeurtenis een direct verband heeft met het heden

    Slide 14 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    Identifica los verbos.
    En mis vacaciones he viajado a España.
    He visitado Barcelona y Valencia.
    También he comido comida típica.
    He vivido una experiencia emocionante.
    1. ¿Cuántas palabras tiene cada verbo? / Hoeveel woorden heeft elk werkwoord?
    2. ¿Qué palabra se repite en todas las frases? / Welk woord komt in alle zinnen terug?
    3. ¿Qué persona es “he”? ¿yo, tú o él/ella? / Welke persoon is “he”? ik, jij of hij/zij?

    Mira la segunda palabra: viajado, visitado, comido, vivido.
    5. ¿Cómo terminan estas palabras? / Hoe eindigen deze woorden?
    6. ¿Qué terminación tienen los verbos -ar? / Welke uitgang hebben -ar werkwoorden?
    7. ¿Qué terminación tienen los verbos -er y -ir? / Welke uitgang hebben -er en -ir werkwoorden?

    Slide 15 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    PRETÉRITO PERFECTO
    Wat is het hulpwerkwoord van de voltooid tegenwoordige tijd?
    A
    estar
    B
    haber
    C
    ser
    D
    gustar

    Slide 16 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    PRETÉRITO PERFECTO
    Als het werkwoord eindigt op -ar, dan krijg je stam + ___
    A
    ido
    B
    ando
    C
    iendo
    D
    ado

    Slide 17 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    PRETÉRITO PERFECTO
    Als het werkwoord eindigt op -er en -ir, dan krijg je stam + ___
    A
    ido
    B
    ando
    C
    iendo
    D
    ado

    Slide 18 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    Identifica el verbo 'haber'
    Yo he viajado en avión a Madrid.
    Tú te has alojado en un albergue.
    Ella ha ido al aeropuerto.
    Nosotros hemos visitado un museo.
    Vosotros habéis paseado por el puerto.
    Ellos han dormido en un bote.
    1. ¿Todos los sujetos usan la misma conjugación del verbo haber? / Gebruiken alle onderwerpen dezelfde vervoeging van het werkwoord haber?

    2. ¿Cuántas conjugaciones identificas? / Hoeveel vervoegingen herken je?

    Slide 19 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Slide 20 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Verbo Haber
    ellos/as
    yo
    él/ella
    nosotros/as
    vosotros/as
    ha
    he
    habéis
    has
    han
    hemos

    Slide 21 - Sleepvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Cristina _____ tomado unas fotos.
    A
    he
    B
    ha
    C
    hemos
    D
    habéis

    Slide 22 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    Carlos y yo _____ visto una serie en Netflix.
    A
    he
    B
    han
    C
    hemos
    D
    habéis

    Slide 23 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Mel y tú _____ cogido el autobús juntas.
    A
    he
    B
    has
    C
    hemos
    D
    habéis

    Slide 24 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Elena y Carlos se _____ alojado en un hotel.
    A
    he
    B
    han
    C
    hemos
    D
    habéis

    Slide 25 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Esta semana _______ (salir, yo) al cine.
    A
    he salir
    B
    he salido
    C
    haber salido
    D
    hemos salido

    Slide 26 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Kevin y yo _______ (viajar) a Perú.
    A
    hemos viajo
    B
    han viajado
    C
    hemos viajado
    D
    habéis viajado

    Slide 27 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Este mes _______ (estudiar, vosotros) mucho .
    A
    haber estudiado
    B
    habéis estudiar
    C
    haber estudiar
    D
    habéis estudiado

    Slide 28 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Este año _______ (ir, ellos) a Croacia.
    A
    han ido
    B
    han ir
    C
    haber ido
    D
    haber ir

    Slide 29 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies

    Pamela _______ (alojarse) en un AIRBnB.
    A
    te haber alojarse
    B
    te has alojado
    C
    se haber alojado
    D
    se ha alojado

    Slide 30 - Quizvraag

    Deze slide heeft geen instructies


    FOLLETO DE ESPAÑOL
    pp. 8-9
    Ejercicios I - K


    timer
    12:00

    Slide 31 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Connie _____ ________ (beber) un zumo.

    Slide 32 - Open vraag

    Deze slide heeft geen instructies

    Carlos __ ___ ________ (levantarse) tarde.

    Slide 33 - Open vraag

    Deze slide heeft geen instructies

    EVALUACIÓN FORMATIVA

    Slide 34 - Tekstslide

    Books closed
    Hebben jullie de doelen van de les bereikt?
    Kun jij nu…. de voltooid tegenwoordige tijd (pretérito perfecto) herkennen in teksten of zinnen.
    acties uitdrukken die in het verleden zijn begonnen en een verband hebben met het heden.
    Denk even na:
    👉 Kun je dit zelfstandig doen?
    👉 Wat gaat al goed?
    👉 Wat vind je nog moeilijk?

    Slide 35 - Open vraag

    Deze slide heeft geen instructies


    Beoordeel uw begrip van de onderwerpen van vandaag op een schaal van 1 tot 5: 

    timer
    0:30
    15

    Slide 36 - Poll

    Deze slide heeft geen instructies

    Slide 37 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies