1. We verdelen de klas in 3 rijen. In elke rij moeten ongeveer evenveel jongens als meisjes staan.
2. Ik ga een verhaal voorlezen en bij sommige woorden moet je een opdracht uitvoeren.
Land: 2 stappen naar voren
Stad: 2 zachte schouderklopjes bij voorbuurman of - vrouw
Familie: 2 x springen in de lucht
Wereld: naam van degene die voor je staat zeggen.