Naamwoordelijk gezegde

Naamwoordelijk gezegde
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Naamwoordelijk gezegde

Slide 1 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
In deze les....
  • leer je wat het naamwoordelijk gezegde is
  • leer je wat het verschil is tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde
  • leer je dat er koppelwerkwoorden bestaan
  • ga je oefenen met het naamwoordelijk gezegde

Slide 2 - Tekstslide

Als je kijkt naar het werkwoordelijk gezegde:
welke informatie geeft het wwg van een zin jou dan?

Bv in de zin: Ik probeer een antwoord op deze vraag te geven.

Slide 3 - Open vraag

Werkwoordelijk gezegde

Het gaat om wat iets of iemand DOET  

DOEN

Ik probeer antwoord te geven.
Ik ga een verhaal schrijven.
Naamwoordelijk gezegde

Het gaat om wat iets of iemand IS 

ZIJN

Ik ben een ijverige leerling.
Ik wil een schrijver worden.

Slide 4 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Om een zin te maken waarom het gaat om ZIJN kun je niet alle werkwoorden gebruiken. De meest voorkomende werkwoorden die je tegenkomt, in een zin met een naamwoordelijk gezegde, zijn:
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen
Zij is een leuke docent.
De leerlingen worden steeds oplettender.
Ze lijkt een aardige docent.
Ze schijnt een aardige docent te zijn.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Oefenen maar
Ok, laten we hier eens mee gaan oefenen.

In welke zinnen herken je een naamwoordelijk gezegde?

Slide 7 - Tekstslide

In welke zin zie je een naamwoordelijk gezegde?
A
Ik snap er helemaal niks van.
B
Ik zou wel wat slimmer willen zijn.
C
Ik heb geen zin om op te letten.
D
Ik leer hier heel veel van.

Slide 8 - Quizvraag

In welke zin zie je een naamwoordelijk gezegde?
A
Ik begin het te begrijpen.
B
Ik doe in ieder geval mijn best.
C
Ik wil hier nog een vraag over stellen.
D
Ik word steeds enthousiaster.

Slide 9 - Quizvraag

In welke zin zie je nu geen naamwoordelijk gezegde, maar een werkwoordelijk gezegde?
A
Alle leerlingen zijn hyperactief.
B
De docent wordt er een beetje moe van.
C
De kinderen stuiteren door de klas.
D
De docent lijkt zelf ook een beetje druk te worden.

Slide 10 - Quizvraag

Soorten werkwoorden
Je hebt al geleerd dat er verschillende werkwoorden bestaan:
een zelfstandig werkwoord en een hulpwerkwoord.
Een zin met een naamwoordelijk gezegde heeft altijd een bepaald werkwoord in zich: het koppelwerkwoord.

Kijk het volgende filmpje over het verschil tussen alle drie de werkwoorden.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Soorten werkwoorden
Als een zin een werkwoordelijk gezegde heeft, staat er dus altijd een zelfstandig werkwoord in. Zijn er meer werkwoorden, dan zijn de overige werkwoorden hulpwerkwoorden.

Als een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, staat er dus altijd een koppelwerkwoord in. Dat noemen we zo, omdat het koppelwerkwoord het naamwoordelijk deel van de zin koppelt aan het onderwerp.
Dat zie je in de volgende slide.

Slide 13 - Tekstslide

naamwoordelijk deel en koppelwerkwoord
Deze hond  is  echt supercute.
  • In deze zin staat 1 werkwoord: is
  • Het onderwerp is: Deze hond
Er staat een naamwoordelijk gezegde in de zin, want de hond doet niets, maar is iets.
Het koppelwerkwoord is koppelt het bijvoeglijk naamwoord supercute aan het onderwerp van de zin.

Slide 14 - Tekstslide

naamwoordelijk deel en koppelwerkwoord
Deze mensen zijn  heel blij.
  • In deze zin staat 1 werkwoord: zijn
  • Het onderwerp is: Deze mensen
Er staat een naamwoordelijk gezegde in de zin, want deze mensen doen niets, maar zijn iets.
Het koppelwerkwoord zijn koppelt het bijvoeglijk naamwoord blij aan het onderwerp van de zin.

Slide 15 - Tekstslide

Oefenen
Ok, laten we ook hier weer eens mee oefenen.

Welke werkwoorden herken je in de zinnen?

Slide 16 - Tekstslide

Welk werkwoord is 'bakken' in de zin:

Ik ga proberen een eitje te bakken.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 17 - Quizvraag

Welk werkwoord is 'ga' in de zin:

Ik ga lekker pannenkoeken bakken.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 18 - Quizvraag

Welk werkwoord is 'moppert' in de zin:

Mijn moeder moppert altijd over de rommel in mijn kamer.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 19 - Quizvraag

Welk werkwoord is 'is' in de zin:

Mijn zus is de meeste irritante zus ter wereld.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 20 - Quizvraag

Welk werkwoord is 'zijn' in de zin:

Ze zou eens wat aardiger mogen zijn tegen mij.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 21 - Quizvraag

Welk werkwoord is 'zou' in de zin:

Ze zou eens wat aardiger mogen zijn tegen mij.
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord
C
koppelwerkwoord

Slide 22 - Quizvraag

Heb je het gevoel dat je nu een beetje weet wat een naamwoordelijk gezegde en een koppelwerkwoord is?
A
Jazeker!
B
Ik denk dat ik wel snap, maar wil er nog wel mee oefenen.
C
Ik vind het nog best wel een beetje onduidelijk / lastig.
D
Ik snap er helemaal niets van.

Slide 23 - Quizvraag