H5 (De hozel) - De Presocraten

De Presocraten
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
GrieksVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

De Presocraten

Slide 1 - Tekstslide

1. Wat is filosofie?
  • φιλοσοφία: φῖλος + σοφία = verlangen naar wijsheid / wijsbegeerte
  • σοφία: 1) deskundigheid in praktische zaken/praktische kennis;                                     2) nieuwsgierigheid voor allerlei verschijnselen om zich heen                             3) levenservaring/levenswijsheid                                                                                       4) dieper inzicht nastreven naar iets wat niet direct met de                                        zintuigen is waar te nemen
  • T/m 4e eeuw: een filosoof hield zich bezig met de werkelijkheid en het bovennatuurlijke (dingen die niet direct waarneembaar zijn)
  • Vragen stellen over concrete (vorm aarde) en minder concrete dingen (het begrip 'bestaan')

Slide 2 - Tekstslide

1. Wat is filosofie? - onderdelen
  1. Kentheorie en logica. Kentheorie = wat is kennis, hoe komt kennis tot stand en wat is het verschil tussen zintuigelijke kennis en verstandelijke kennis. Logica heeft betrekking op redeneringen (wanneer correct?)
  2.  ethica en politieke filosofie. Ethica onderzoekt het menselijk handelen (geluk, rechtvaardigheid, goed/kwaad). Politieke filosofie: nauw verbonden met ethica, maar dan gericht op polis -> waaraan zou een ideale samenleving moeten voldoen?
  3. metafysica en fysica. Metafysica: 'bestaan' -> waarvan kunnen we zeggen dat het bestaat? Fysica: wat is regen/bliksem?
=> geen 
pasklaar antwoorden

Slide 3 - Tekstslide

2. Filosofie Ionische natuurfilosofen
  • Presocraten = alle filosofen die voor Socrates hebben geleefd, maar sommigen zijn tijdgenoten en hebben hem zelfs overleefd.
  • Eerste filosofen uit Ionië (= westkust Turkije), die zochten naar verklaringen voor natuurverschijnselen => natuurfilosofen
  • Natuurfilosofie geïnitieerd door Thales van Milete
  • Natuurfilosofen hadden kritiek op mythologische verklaringen van natuurverschijnselen.
  • Filosofie voor Sokrates is kosmocentrisch. κόσμος = wereld in al zijn verschijningsvormen => een gestructureerde wereld waarin elk onderdeel zijn natuurlijke plaats heeft.

Slide 4 - Tekstslide

2. Ionische natuurfilosofen - kosmologie
  • Kosmologie = onderzoek naar alle mogelijke verschijnselen in het heelal   ( 'waaruit is de wereld ontstaan?' 'Waar is alles van gemaakt?').
  • Eerste filosofen kwam uit Milete => Milesiërs genoemd/
  • Dankzij contact met de Babyloniërs (en Egyptenaren) waren de Grieken in staat om op basis van veronderstellingen bewegingen van sterren te berekenen en verschijnselen als weer en seizoen te verklaren.
  • De kosmos werd gezien als een gave, symmetrische wereld (die door de Grieken noodgedwongen schematisch was).

Slide 5 - Tekstslide

2. Ionische natuurfilosofen - physis en archè
  • physis = onderzoek doen naar wat iets precies is -> concentratie op hoe iets is ontstaan en de ontwikkeling die het heeft doorgemaakt.
    Voorbeeld: hoe is de wereld ontstaan? -> oneindige oerstof
  • Thales dacht dat het water was, een ander lucht, Anaximander noemde het apeiron
  • archè: 1) begin (punt)     2) leidend beginsel, principe
    Aristoteles: presocraten vatten hun oerstof in beide betekenissen van de archè op: 1) het begin waaruit alles zich heeft ontwikkeld + 2) de stof waaruit alles bestaat.

Slide 6 - Tekstslide

3. Heraclitus (ca.                      540-480)
  • Alles verandert
  • πάντα ῥεῖ: je kunt niet 2x in dezelfde rivier stappen
  • Aan de veranderingen strijd ten grondslag ->paren van tegenstellingen die in elkaar over gaan: dag-nacht / goed-kwaad
  • harmonia: eenheid achter de veelheid en verscheidenheid van tegendelen -> aan de oppervlakte niet zichtbaar, maar alles is één (= god)
  • oerstof: vuur 

Slide 7 - Tekstslide

4. Veranderlijkheid en kennis
  • Vanaf 5e eeuw v. Chr. onderscheid tussen zintuigelijke en verstandelijke kennis.
  • Zintuigelijke kennis: een boom heeft bladeren
  • Verstandelijke kennis: welke eigenschappen hebben alle bomen gemeenschappelijk die maken wat een boom in het algemeen is?
  • Eleaten maakten als eerste dit onderscheid
    -> focus op wat er schuilgaat achter  de zichtbare werkelijkheid of wat de grondslag is van deze waarneembare wereld

Slide 8 - Tekstslide

5. Parmenides
  • Uit Elea 
  • belangstelling voor de Waarheid
  • 'zijn' en 'niet-zijn'

Slide 9 - Tekstslide

5. Parmenides (5e eeuw)
  • werk geschreven waarin de dochters van de Zon hem naar een paleis brengen; daarin wordt hij rondgeleid door een godin die hem beloofde alles te zullen leren. 
  • Twee wegen van onderzoek: 1) zijn + 2) niet-zijn
  • 'zijn': weg van de Overtuiging -> ware weg die gevolgd moet worden
  • 'niet-zijn': weg die onmogelijk kan worden gevolgd
  • 'denken' en 'zijn' is hetzelfde: alles wat denkbaar is, bestaat en alles wat bestaat, is denkbaar ('niet-zijn' is dus 'niet-denken')
  • Fout mensen: door zintuigen laten leiden (-> geeft alleen informatie over de veranderlijke wereld) en 'zijn' en 'niet-zijn' op hetzelfde toepassen (bijv. iemand is, zolang hij leeft en is niet meer, wanneer ie dood is)
  • 'zijn' kan niet ontstaan zijn of ooit vergaan

Slide 10 - Tekstslide

6. Een impasse
  • Door Elaten en Parmenides in een impasse: aangetoond dat de onderzoeker die zich in zijn denken laat leiden door het veranderlijke, op een verkeerd spoor zit -> alles wat verandert kan geen object van onderzoek zijn omdat over wat verandert geen blijvende, ware uitspraken kunnen worden gedaan.
  • Jonge natuurfilosofen (Empedocles en Democritus): werkelijkheid heeft twee geheel verschillende aspecten: 1) de veelheid die voortdurend veranderd + 2) het contstante of ene => wilden een theorie ontwerpen die voor beide aspecten van de werkelijkheid een verklaring bood van beide eigenschappen van de wereld tot hun recht liet komen

Slide 11 - Tekstslide

7. Empedocles                   (ca. 495-435)
  • Niet 1 oerstof, maar de vier elementen water, lucht, vuur en aarde
  • Deze elementen hebben altijd bestaan en zijn ongeworden, onvergankelijk en onveranderlijk 
  • Veranderingen in de wereld zijn een vermenging en scheiding van de elementen => twee krachten: 1) liefde (verbindende werkeing) + 2) haat (scheidende werking)
  • Liefde zorgt voor krasis: vermenging waarbij eigenschappen elementen verdwijnen, maar samenstelling heeft eigen specifieke eigenschappen.
  • Haat is de kracht die een krasis weer oplost in zijn elementen.

Slide 12 - Tekstslide

8. Democritus (ca.                    460-370)
  • Grondlegger antieke atomisme
  • De bouwelementen, waaruit de wereld is samengesteld, zijn zeer kleine deeltjes materie, die wij mensen niet met onze zintuigen kunnen waarnemen.
  • atomen = allerkleinste deeltjes ter wereld + ondeelbaar + oneindig in aantal + zijn er altijd geweest + zullen er altijd zijn
  • vacuüm: een ruimte die geheel vrij is van materie en de materiële elementen omgeeft, waarin een atoom zich verplaatst.
  • Atomen verschillen van vorm en grootte, wanneer ze botsen met elkaar ontstaan er grotere gehelen en dus lichamen, dingen, werelden, etc.
  • Gevormde atomaire gehelen blijven nooit helemaal constant: bij toename groei en bij afname vernietiging. 

Slide 13 - Tekstslide

9. Pythagoras (ca. 
                  570-508)
  • Afkomstig van Samos, maar gevestigd in Croton (Zuid-Italië)
  • Grote invloed op gedachtegoed van Plato.
  • Pythagoreërs: een soort commune van aanhangers: Pythagoras was absolute autoriteit.
  • Geobsedeerd door getallen
  • a²+b²=c² 

Slide 14 - Tekstslide

9. Pythagoras (ca. 570-508)
Het getal





De ziel
  • Geobsedeerd door getallen: een verband tussen lengte van een snaar en de toon die het voortbracht, wat in getallen kon worden uitgedrukt (evenredig verband).
  • N.a.v. deze ontdekking de conclusie dat de structuur van de dingen in getallen/getalsverhouding kon worden uitgedrukt => een kwantitatieve benadering van de werkelijkheid.
  • Door oog te hebben voor het getal is het mogelijk om achter de waarheid te komen: de ware structuur van de dingen.
  • Geloof in reïncarnatie: de ziel van een mens kon overgaan in een ander wezen, maar met behoud van de persoonlijke eigenschappen en morele voorwaarden. Uiteindelijke doel was dat de ziel zich definitief van het lichaam losmaakt en rust vindt.
  • Via Pythagoras nieuw idee in filosofie: scheiding tussen lichaam en ziel (dualisme). Het lichaam is sterfelijk, vergankelijk en stoffelijk, maar de ziel is onsterfelijk, onstoffelijk en komt van buitenaf in het lichaam. 

Slide 15 - Tekstslide