Les 8 en 9: Erfelijkheid en evolutie

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & NatuurMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 140 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Startklaar
       
      Telefoon in het zakkie 
      Laptop dicht op tafel 
       Map en pen op tafel
       
      
timer
5:00

Slide 2 - Tekstslide

Welkom bij Sciences
Unit 3.1.2: The circle of life
Learner Profile: Knowledgeable/ Geïnformeerd
ATL: Critical-thinking skills
Evaluate evidence and arguments
Related concepts: Interaction & Patterns
Key concept: Change, Development, Identity
How do interactions between individuals, environments, and systems give rise to patterns of change?
Global context: Identities and relationships

Slide 3 - Tekstslide

Overzicht Unit 1
Week 1
Week 2
Week 3
Week 4
Week 5
Week 6
Week 7
Week 8
Week 9
Week 10 
Week 11
Types of reproduction
Types of reproduction
Experiment (SA)
Life cycle of humans and the reproductive organs
Life cycle of humans and the reproductive organs
Life cycle of humans and the reproductive organs
Contaceptives
Genetics
GeneticsEvolution

Slide 4 - Tekstslide

Programma
  • Voorkennis
  • Leerdoelen opstellen
  • Instructie
  • Aan de slag
  • Reflectie en leerdoelen check

Slide 5 - Tekstslide

Genetics

Slide 6 - Tekstslide

Wat is de functie van de placenta?
A
Voedingsstoffen en zuurstof naar de baby
B
Afvalstoffen vanaf de baby naar de moeder
C
Beide antwoorden zijn juist
D
Beide antwoorden zijn onjuist

Slide 7 - Quizvraag

Wat is de volgorde van de bevalling?
A
ontsluiting - uitdrijving - nageboorte
B
uitdrijving - ontsluiting - nageboorte
C
ontsluiting - nageboorte - uitdrijving
D
uitdrijving - nageboorte - ontsluiting

Slide 8 - Quizvraag

Leerdoelen
  • Je kunt het verschil tussen mitose en meiose uitleggen.
  • Je kunt de definitie van fenotype en genotype geven.
  • Je kunt uitleggen wat dominant en recessief betekenen en deze op de juiste wijze toepassen.
  • Je kunt uitleggen wat heterozygoot en homozygoot betekenen en dez op de juiste wijze toepassen.
  • Je kunt vanuit een stukje tekst de genotypen en fenotypen van de ouders halen.
  • Je kunt genotypen op de juiste wijze opschrijven.,
  • Je kunt een kruisingsschema van een monohybride kruising maken en hieruit informatie halen.

Slide 9 - Tekstslide

mitose (gewone celdeling) en meiose (reductiedeling)

Slide 10 - Tekstslide

Wat is fenotype & Genotype?

Slide 11 - Woordweb

Slide 12 - Tekstslide

fenotype
  • Het fenotype is het uiterlijk van een organisme
  • Het fenotype is het resultaat van de informatie die op de genen staat plus veranderingen door 'het milieu'.
  • Het milieu kan ook uit een potje komen, zoals de man die zijn haar geverfd heeft. Deze aanpassingen kun je niet doorgeven aan je nakomelingen.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

genotype
  • In élke cel van je lichaam staat informatie voor ál je erfelijke eigenschappen.
  • Een stukje DNA waar informatie staat over 1 bepaalde eigenschap heet een ''gen''.
  • Mensen hebben in elke lichaamscel 46 chromosomen.

Slide 15 - Tekstslide

mens tot dna

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

DNA

  • DNA bevat de code --> eiwitten. 
  • De code = volgorde bouwstenen.
  • Alle bouwstenen achter elkaar = DNA sequentie.
  • Genotype - Alle DNA sequenties = alle informatie van alle erfelijke eigenschappen. . 
  • Fenotype - Het resultaat van informatie = alle gevormde eiwitten.

Slide 18 - Tekstslide


Wat is juist?
A
1 celkern 2 genen
B
1 cel 2 chromosomen
C
3 DNA 4 gen
D
3 Chromosomen 4 DNA

Slide 19 - Quizvraag

Hoeveel chromosomen hebben wij?
A
22
B
23
C
44
D
46

Slide 20 - Quizvraag

Welke uitspraak over genotype en fenotype klopt het best?
A
Het fenotype komt voort uit het genotype.
B
Het genotype komt voort uit het fenotype.
C
Het fenotype komt voort uit het genotype en milieuinvloeden.
D
Het genotype komt voort uit het fenotype en milieuinvloeden.

Slide 21 - Quizvraag

Hebben plantencellen ook DNA?
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quizvraag

Waar bestaan chromosomen uit?
A
Celplasma
B
DNA

Slide 23 - Quizvraag

Genenpaar
Het gen van de vader en het gen van je moeder vormen samen een chromosomenpaar. Een gen zegt iets over de welke erfelijke eigenschap (oogkleur) op het chromosoom staat.
Alle is de informatie wat op het gen staat.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Dominant en recessief
Dominant
Recessief
Overheersend
Ondergeschikt
Grote letters
Kleine letters
1 nodig om tot uiting te komen
2 nodig om tot uiting te komen

Slide 26 - Tekstslide

Homozygoot & Heterozygoot
  • Per eigenschap heb je 2x informatie op het gen staan.
  • Is deze informatie gelijk, dan ben je homozygoot voor deze eigenschap.
  • Is deze informatie op het gen ongelijk, dan ben je heterozygoot voor deze eigenschap


Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

evolutie

Slide 30 - Tekstslide

Evolutietheorie
De miljoenen levende soorten organismen op aarde zien er allemaal verschillend uit. 

Biologen vinden dat de organismen op aarde in de loop van miljoenen jaren zijn ontstaan en zijn veranderd. 

Evolutie is de ontwikkeling van het leven op aarde.
Tijdens de evolutie ontstaan, veranderen en/of verdwijnen soorten.

Slide 31 - Tekstslide

De evolutietheorie
De evolutietheorie is vanaf de 18e eeuw ontwikkeld door Charles Darwin. 
De theorie is niet te bewijzen. Er zijn wel veel feiten de de theorie ondersteunen. 
De feiten zijn de argumenten voor de evolutietheorie. 


De evolutietheorie gaat uit van:

- variatie in genotypen : Mutaties en geslachtelijke voortplanting
- natuurlijke selectie (overlevingskans en kans op nakomelingen)
- het ontstaan van nieuwe soorten (isolatie en geen vruchtbare nakomelingen)

Slide 32 - Tekstslide

Wat is een argument voor de evolutietheorie?
A
Mensen lijken op apen
B
Fossielen
C
Veel dezelfde vormen in de groei vanaf de bevruchting
D
Meneer Darwin was erbij toen evolutie plaats vond

Slide 33 - Quizvraag

Verandering in genotypen
Verandering in genotypen kan op 2 manieren plaatsvinden.

- Geslachtelijke voortplanting
- Mutaties 

Slide 34 - Tekstslide

Stappenplan natuurlijke selectie 
1. Niet alle individuen van dezelfde soort zijn gelijk (kijk naar mens).
2. Die het beste passen in de omstandigheden en in het gebied hebben op dat moment meer overlevingskans.
3. Ook meer kans op voortplanting, dus om dit door te geven aan nakomelingen.
4. Na vele jaren zie je (bij ongeveer gelijkblijvende omstandigheden) deze variant van de soort (bijna) alleen nog maar en zijn andere varianten (bijna) verdwenen).

Slide 35 - Tekstslide

2 x let op bij dit stappenplan
1. Omgeving kan veranderen. Je bent (survival of the fittest) niet de beste, maar de beste in deze omstandigheden.

2.  Individu kan zijn genotype niet aanpassen, aanpassing gebeurt door generaties heen door het proces natuurlijke selectie.


Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Video

Natuurlijke selectie
A
individuen met een betere aanpassing aan het milieu hebben een grotere overlevingskans en een grotere kans op nakomelingen
B
Twee soorten worden raken eerst geisoleerd van elkaar en komen daarna weer samen.
C
Natuurlijke selectie vindt plaats in dierentuinen

Slide 38 - Quizvraag

Variatie in genotypen
Wat is waar?
A
Ontstaan door verandering in het fenotype
B
Ontstaan in de nakomelingen door geslachtelijke voortplanting

Slide 39 - Quizvraag

Evolutie
A
Theorie die uitgaat van variaties in genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten
B
ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen of verdwijnen

Slide 40 - Quizvraag

Evolutietheorie
A
De theorie die uitgaat van dezelfde genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten
B
Theorie die uitgaat van variaties in genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten

Slide 41 - Quizvraag

Bij een diersoort komen veel variaties in genotypen voor. Wat is waar?
A
Dat soort heeft een grotere overlevingskans
B
Dit is een probleem bij verandering in de milieuomstandigheden

Slide 42 - Quizvraag

Als bij een soort veel verschillende genotypen voorkomen, heeft deze soort een ... (vul in) ... overlevingskans.
A
kleinere
B
grotere

Slide 43 - Quizvraag

Welk dier heeft een grotere kans op veel nakomelingen?
A
Het dier met een gunstig (beter) genotype
B
Het dier met een gunstig (beter) fenotype
C
Dat maak niet uit

Slide 44 - Quizvraag

Door veel variatie in genotypen zijn er ook meer verschillende fenotypen.
A
juist
B
onjuist

Slide 45 - Quizvraag

Waarbij behoren organismen die samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen?
A
dezelfde soort
B
dezelfde stam
C
alleen hetzelfde ras
D
Hetzelfde rijk

Slide 46 - Quizvraag