Donderdag 7-1

Welcome 4Ta
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welcome 4Ta

Slide 1 - Tekstslide

This Lesson
Doel: Ik begrijp de grammatica en kan deze toepassen.

- Homework
-practise  makes perfect
- Lesson K
- Last but not least

Slide 2 - Tekstslide

ex. 23
I am a really down-to-earth person who likes to work in a team. I would describe myself as being reliable and well-organised. I'm also flexible when it comes to work hours.
My hobbies are gaming and graphic design and I'm interested in following game design courses.
I have worked as a sales assistant at a computer shop for two years. I also have some experience as a cashier at a fast-food restaurant.
My strong points are accuracy and good attention to detail. I'm also punctual and I have a great sense of responsibility.

Slide 3 - Tekstslide

ex. 25
1 My grandfather used to work in a metal factory when he was a child.
2 He used to design games, but he chose another career path
3 Sam used to study Spanish in Madrid but now he works in Barcelona.
4 When I was eight years old I used to run faster than every other kid in my class.
5 They both used to volunteer at a shelter for the homeless.
6 I used to love programming until it became my job.

Slide 4 - Tekstslide

ex. 27
1 ones
2 ones
3 one
4 one
5 one, one
6 ones

Slide 5 - Tekstslide

one en ones
Je gebruikt deze woorden om herhaling van een eerdergebruikt woord te voorkomen.

We are looking for a new bike. Perhaps one in white?
Wauw! I really like those flowers. Especially the ones in pink.

Slide 6 - Tekstslide

one / ones

Je gebruikt one bij woorden in het enkelvoud/meervoud.
Je gebruikt ones bij woorden in het enkelvoud / meervoud.

Slide 7 - Tekstslide

Gebruik one/ones
Na deze woorden kun je one/ones gebruiken:
- een bijvoeglijk naamwoord
- which
- this/ that/ these / those
- als zelfstandig naamwoord

Slide 8 - Tekstslide

Examples
There are big problems and small ones (na bijvoeglijk nw).
I have to read a book. Which one should I pick? (na which)
Do you like thrillers? This one is a must-read.
(na this/that/these/those)

Muffins? I like the ones with chocolate best.
(als zelfstandig nw)

Slide 9 - Tekstslide

The new smartphones are much faster than the old ______.
A
one
B
ones

Slide 10 - Quizvraag

This bag is very old. I need a new ____.
A
one
B
ones

Slide 11 - Quizvraag

If you buy two shirts, you get the third _____ for free!
A
one
B
ones

Slide 12 - Quizvraag

We missed the train to Brighton. When is the next ............?
A
one
B
ones

Slide 13 - Quizvraag

Videos that are watched most on Youtube are the ... with stupid cats.
A
one
B
ones

Slide 14 - Quizvraag

Used to kun je vertalen als 'vroeger' of altijd toen we...
Je gebruikt used to + het hele werkwoord om te
zeggen:
• dat iets in het verleden regelmatig gebeurde
(een gewoonte was), maar nu niet meer
• dat iets in het verleden zo was, maar nu niet
meer zo is
In het Nederlands zeggen we ‘vroeger (altijd)’.
                              Theme 3 grammar 8

Slide 15 - Tekstslide

Maak een korte zin met 'used to'

Slide 16 - Open vraag

Voorbeeldzinnen
Dus je gebruikt used to + het HELE werkwoord
I used to be friends with her
We used to go to Spain when we were kids
They used to love going to the movies

Slide 17 - Tekstslide

Welke is juist?
A
She use to visit her grandmother after school
B
She went to visit her grandmother
C
She used to visit her grandmother

Slide 18 - Quizvraag

Wanneer gebruik je used to?

Slide 19 - Open vraag

                                  Herhaling Uitleg
Je gebruikt used to + het hele werkwoord om te
zeggen:
• dat iets in het verleden regelmatig gebeurde
(een gewoonte was), maar nu niet meer
• dat iets in het verleden zo was, maar nu niet
meer zo is
In het Nederlands zeggen we ‘vroeger' (altijd)
Tekst

Slide 20 - Tekstslide

Lesson K

Watch the video and answer de questions

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

Round up
- books
- homework:
Leren alle woordjes stones
Onr.ww. 1-60
begrijpen grammar Theme 3

Slide 23 - Tekstslide