communicatie gesprekstechnieken

communicatie; gesprekstechnieken
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

communicatie; gesprekstechnieken

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
De student kan in eigen vertellen;
  • Wat er tot nu toe besproken is over communicatie
  • Wat wordt bedoeld met gesprekstechnieken
  • Het doel van verschillende gesprekstechnieken
  • Wat er wordt bedoeld met de afkortingen NIVEA - ANNA - DIK - OEN - OMA 

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Wat hebben we tot nu toe besproken over communicatie afgelopen lessen?

Slide 4 - Open vraag

Wat is een voorbeeld van verbale communicatie?
A
Het geven van een schriftelijke toelichting
B
Een verkoopgesprek
C
Gebarentaal
D
Knipogen

Slide 5 - Quizvraag

Wat is geen vorm van non-verbale communicatie?


A
Onderuitgezakt in een stoel zitten.
B
Een mail naar studenten over de kerstmarkt.
C
Een cliënt die ja knikt om naar buiten te gaan.

Slide 6 - Quizvraag

Marieke, Anne, Janet, Alex en Bert zijn samen in gesprek over een cliënt. Wanneer meer mensen betrokken zijn bij een gesprek. Dan spreek je van tweezijdige communicatie.
Is dit juist of onjuist?
A
juist
B
onjuist

Slide 7 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van interne ruis?
A
Een storing in de telefoonverbinding
B
Een les die wordt verstoord doordat er iemand binnenkomt
C
Het niet goed luisteren naar wat iemand zegt
D
Het haperen van een video die je op je mobiele telefoon bekijkt

Slide 8 - Quizvraag

Slide 9 - Tekstslide

Gesprekstechnieken
Een goed, inhoudelijk en effectief gesprek voeren is niet altijd even gemakkelijk. 

Een praatje over het weer is zo gemaakt en daarvoor heb je niet heel veel gesprekstechnieken nodig, maar in de zorg heb je ook vaak te maken met inhoudelijk belangrijke gesprekken. 

Slide 10 - Tekstslide

Voorbeelden inhoudelijke gesprekken
Denk bijvoorbeeld aan een opnamegesprek waar je als doel hebt bepaalde informatie te vergaren van een zorgvrager en hem bepaalde informatie te geven. 

Of denk aan een gesprek waarbij je de zorgvrager slecht nieuws moet geven.

Slide 11 - Tekstslide

Vorige les
In de vorige les hebben we afkortingen besproken die gebruikt worden voor gesprekstechnieken.

Jullie hebben toen ook een filmpje gezien waarin deze afkortingen werden benoemd en uitgelegd

Slide 12 - Tekstslide

Welke afkortingen zijn er die gebruikt worden als gesprekstechniek?

Slide 13 - Open vraag

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Juist bij LSD is het stellen van de juiste vragen belangrijk om de informatie te krijgen die je op dat moment nodig hebt.
Hoe zat het ook al weer met de verschillende vragen?

Slide 16 - Tekstslide

Wat wilt u drinken?
Dit is een.....
A
gesloten vraag
B
open vraag
C
dubbele vraag

Slide 17 - Quizvraag

Wat is een gesloten vraag?
A
Hoe ben je hier gekomen?
B
Vind je het spannend?
C
Wat wil je straks gaan doen?
D
Wie heeft je gebracht?

Slide 18 - Quizvraag

Mevr. de Jager verkeert in onzekerheid of zij naar een verpleeghuis moet verhuizen. Ze zegt tegen jou: 'Als ik moet verhuizen naar een verpleeghuis, hoeft het voor mij allemaal niet meer'.

Hoe reageer jij op deze opmerking van mevr. de Jager?
A
Kop op hoor! Het heeft geen zin om bij de pakken neer te gaan zitten hoor. Het valt straks vast mee.
B
Zo denkt u er nu over, maar ik weet zeker dat u er straks anders over denkt.
C
Ik begrijp wat U bedoelt.
D
U ziet er erg tegenop om te verhuizen. Wat lijkt u daar zo erg aan?

Slide 19 - Quizvraag

U ziet er erg tegenop om te verhuizen. Wat lijkt u daar zo erg aan?

Welk gesprekstechniek is hier gebruikt?
A
ANNA
B
DIK
C
LSD
D
OEN

Slide 20 - Quizvraag

Ik heb een hobby..........

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video