Leesvaardigheid (bronnen)

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Bruikbare bronnen vinden en gebruiken
Module 7 Leesvaardigheid

Deze week:
Opdracht 16 en 17

Slide 2 - Tekstslide

Van nieuwsgierigheid naar leesvaardigheid

Slide 3 - Tekstslide

Link naar toets vorige lessen
Toetsvraag: Wat is de hoofdvraag  (onderzoeksvraag) waarop dit artikel antwoord geeft?
Toetsvraag: Schrijf een samenvatting van alinea 3 t/m 6 in maximaal 60 woorden.
Toetsvraag: Wat is het onderwerp van tekst 1? (het zoeken naar artikelen bij een deelvraag)

Aandacht voor: signaalwoorden (zie vetgedrukte woorden in het ibook)

Slide 4 - Tekstslide

Werk de argumentatiestructuur uit:

Het mini-onderzoek is een nuttige opdracht. Leerlingen hebben niet alleen meer autonomie, maar ze hebben ook nog eens meer denkvaardigheden nodig.
Zijn de volgende argumenten feitelijk of waarderend?

1. Na het impressionisme is het volledig misgegaan met de schilderskunst.
2. De meeste schoolliefdes lopen op niets uit.
Welk (tekst)verband herken je in onderstaande alinea?
Lees je sowapoli of soopolie? Soapoli, een plek om je te laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen, schrijf je zonder koppelteken. Daardoor lezen veel mensen het als soopolie.
Welk verband hoort bij de volgende signaalwoorden?

Evenzeer
Net als
Enerzijds ... anderzijds
Niet alleen ... maar ook
Bovendien
Om (te)
Hoe herken je een anekdote in een tekst?
Veel teksten hebben een vaste structuur. Welke functies verwacht je bij alinea's in de kern en het slot als de inleiding een probleemstelling weergeeft?
1.
2.
3.

Slide 5 - Tekstslide

Waarom is het nu zowel makkelijker als moeilijker om goede informatie te vinden dan 25 jaar geleden?

Slide 6 - Woordweb

Informatiebubbel
  • Nauwkeurig en kritisch lezen is noodzakelijk om de wereld waarin je leeft goed te begrijpen;
  • Het helpt je om een eigen mening te vormen en te onderbouwen;
  • Je kunt informatie filteren en beoordelen.

Slide 7 - Tekstslide

Geloofwaardig

Nauwkeurig

Neutraal

Redelijk

Onderbouwd

Slide 8 - Tekstslide

Geloofwaardig

Nauwkeurig

Neutraal

Redelijk

Onderbouwd
Wie heeft het geschreven?
Waar is het gepubliceerd?

Wanneer is het geschreven?
Is het volledig?

Heeft de schrijver een belang?
Wat is het tekstdoel?

Is de schrijver genuanceerd of emotioneel?


Is de bron onderbouwd door andere bronnen?
Is er een bibliografie?

Slide 9 - Tekstslide

Aan welke eis voldoen de bronnen in de kaders niet?
geloofwaardig
nauwkeurig
neutraal
redelijk
onderbouwd

Slide 10 - Sleepvraag

Leesvaardigheid

1) Beoordeel deze bron op de 5 betrouwbaarheidscriteria.

2) Noteer 5 signaalwoorden met bijbehorend tekstverband.

Slide 11 - Tekstslide

Zelfstandig leren
Ga aan de slag met je bronnenonderzoek.

Zorg voor geloofwaardige, nauwkeurige, neutrale, redelijke en onderbouwde bronnen.

Slide 12 - Tekstslide