Examentraining KB

Examen 2016 KB 1e tijdvak
Schrijf bij je examen altijd een berekening op of leg op een andere manier duidelijk uit hoe je aan je antwoord komt.

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Examen 2016 KB 1e tijdvak
Schrijf bij je examen altijd een berekening op of leg op een andere manier duidelijk uit hoe je aan je antwoord komt.

Slide 1 - Tekstslide

Bakkers uit Gouda hebben op 29 juni 2013 het wereldrecord ‘grootste stroopwafel bakken’ verbroken.

Voor het deeg werd bloem, suiker en gist gebruikt in de volgende verhouding: 500 gram bloem, 150 gram suiker, 14 gram gist. Er is voor het deeg van de recordstroopwafel in totaal 30 kilogram bloem gebruikt.

Opgave 1:
Bereken hoeveel gram gist er gebruikt is voor deze stroopwafel.
A
84 gram
B
840 gram
C
9000 gram
D
8,4 gram

Slide 2 - Quizvraag

De diameter van deze ronde stroopwafel was 247 cm.

Opgave 2:
Bereken hoeveel cm de omtrek van de stroopwafel was. Rond je antwoord af op een geheel getal.
A
775 cm
B
776 cm
C
47 916 cm
D
388 cm

Slide 3 - Quizvraag

Het deeg voor de stroopwafel werd op een grote vierkante bakplaat met zijden van 250 cm uitgesmeerd. Daarna werd de stroopwafel met een diameter van 247 cm uitgesneden.

Opgave 3:
Bereken hoeveel cm2 van het deeg niet voor de stroopwafel werd gebruikt.
A
47 916 cm2
B
62 500 cm2
C
14 584 cm2
D
28,27 cm2

Slide 4 - Quizvraag

De diameter van deze ronde stroopwafel was 247 cm.

Een gewone stroopwafel heeft een diameter van 10 cm. De oppervlakte van de recordstroopwafel is veel groter dan de oppervlakte van een gewone stroopwafel.

Opgave 4:
Bereken hoeveel keer zo groot.
A
24,7 keer
B
610 keer
C
12,35 keer
D
25 keer

Slide 5 - Quizvraag

Farzad heeft een scooter die op benzine rijdt. In 2015 reed hij gedurende 45 weken, 5 dagen in de week, gemiddeld 20 km per dag.

Opgave 5:
Bereken hoeveel km Farzad in 2015 reed.


A
900 km
B
4500 km
C
100 km
D
11,25 km

Slide 6 - Quizvraag

Farzad krijgt in 2016 een andere baan. Hij schat dat hij 9000 km per jaar zal rijden.

Farzad schat dat de gemiddelde prijs van 1 liter benzine 1,85 euro is in 2016. De scooter van Farzad heeft een verbruik van 1 : 20. Dat betekent dat hij met 1 liter benzine 20 km kan rijden.
Opgave 6:
Bereken hoeveel euro Farzad in 2016 aan benzinekosten zal uitgeven.
A
333 000 euro
B
243,24 euro
C
832,50 euro
D
16 650 euro

Slide 7 - Quizvraag

Farzad krijgt in 2016 een andere baan. Hij schat dat hij 9000 km per jaar zal rijden.
Farzad wil misschien een e-scooter (elektrische scooter) kopen. Een e-scooter rijdt niet op benzine, maar op elektriciteit.
Een e-scooter kost per 100 km 0,46 euro aan elektriciteit.

Opgave 7:
Bereken hoeveel euro Farzad in 2016 aan elektriciteit zou moeten betalen als hij op een e-scooter zou rijden.
A
414 euro
B
46 euro
C
195,65 euro
D
41,40 euro

Slide 8 - Quizvraag

Een nieuwe e-scooter kost 2100 euro. Farzad gaat ervan uit dat een gewone scooter hem per jaar 850 euro aan benzine zal kosten en de e-scooter per jaar 45 euro aan elektriciteit.

Als Farzad de e-scooter koopt, bespaart hij elke maand geld doordat hij minder aan elektriciteit hoeft te betalen dan bij de gewone scooter aan benzine. Stel dat Farzad deze e-scooter koopt.

Opgave 8:
Bereken na hoeveel maanden Farzad de koopprijs van zijn e-scooter terugverdiend zal hebben door deze besparing.

A
2,6 maanden
B
31 maanden
C
32 maanden
D
3 maanden

Slide 9 - Quizvraag

Een ijsberg die naar het zuiden drijft, wordt kleiner doordat hij langzaam smelt. Onderzoekers hebben het gewicht van zo’n ijsberg geschat, zie de tabel.
In de tabel is t de tijd in maanden na het afbreken van de ijsberg en G het geschatte gewicht van de ijsberg in ton.
Opgave 9:
Bereken met hoeveel procent het gewicht van de ijsberg in de eerste 2 maanden is afgenomen.
A
87,5 %
B
14,2 %
C
12,5 %
D
22,5 %

Slide 10 - Quizvraag

De onderzoekers hebben een formule gemaakt die goed bij de tabel past :

In de formule is t de tijd in maanden na het afbreken van de ijsberg en G het geschatte gewicht van de ijsberg in ton.

Opgave 10:
Bereken het gewicht van de ijsberg 15 maanden na het afbreken van de gletsjer.

A
8180 ton
B
28 550 ton
C
31 910 ton
D
4 820 ton

Slide 11 - Quizvraag

De onderzoekers hebben een formule gemaakt die goed bij de tabel past :
In de formule is t de tijd in maanden na het afbreken van de ijsberg en G het geschatte gewicht van de ijsberg in ton.

Opgave 12:
Bereken in de hoeveelste maand na het afbreken van de ijsberg het laatste stukje van de ijsberg volgens de formule gesmolten moet zijn.
A
40e maand
B
41e maand
C
42e maand
D
43e maand

Slide 12 - Quizvraag

skispringen
Skispringen is een sport waarbij op ski’s van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zo ver mogelijk te springen.


Slide 13 - Tekstslide

Een skispringer bereikt aan het eind van de aanloophelling een snelheid van 94,3 km/uur.

Opgave 12:
Bereken zijn snelheid in meter per seconde op dat moment.

A
26,2 m/s
B
339,49 m/s
C
2,6 m/s
D
1571,7 m/s

Slide 14 - Quizvraag


Opgave 13:

Bereken, zonder te meten, de hoogte RS van de aanloophelling in hele meters. Schrijf je berekening op.
A
14,4 m
B
44 m
C
96 m
D
2 m

Slide 15 - Quizvraag


Opgave 14:

Bereken hoeveel graden de hellingshoek T in driehoek RST is. Schrijf je berekening op.
A
39 graden
B
43 graden
C
54 graden
D
36 graden

Slide 16 - Quizvraag

Bij slechte weersomstandigheden verplaatst men de start (het punt S) naar een punt lager op de schans.


Opgave 15:
Wat verandert er dan?
A
de grootte van de hellingshoek
B
de lengte van de aanloophelling
C
niets
D
zowel de grootte van de hellingshoek als de lengte van de aanloophelling

Slide 17 - Quizvraag

Op de foto zie je een leerling in Kenia in zijn schoolbank zitten.

De zithoogte van de schoolbank op de foto is 34 cm.

Opgave 16:
Bereken door te meten hoeveel cm de hoogte van het tafelblad is.


A
79 cm
B
77 cm
C
75 cm
D
dat kun je niet weten woant de fot is niet op schaal.

Slide 18 - Quizvraag

Het tafelblad is voor deze leerling te hoog. De school wil daarom banken in verschillende maten gaan maken die goed passen bij de leerlingen. In de tabel hiernaast zie je welke maat schoolbank bij welke leerling past.

Deze tabel kan zo voortgezet worden.

Opgave 17:
Welke maat schoolbank heeft een leerling met een lengte van 1,90 m nodig?
A
maat 5
B
maat 6
C
maat 7
D
maat 8

Slide 19 - Quizvraag

Bij elke maat schoolbank hoort een bepaalde zithoogte. Hiernaast zie je een tabel, waarin de maat van de schoolbank en de bijbehorende zithoogte in cm staat.

Er is een lineair verband tussen de zithoogte en de maat van de schoolbank.

Opgave 18:
Geef een woordformule die bij dit verband hoort.

A
zithoogte = 4 x maat + 30
B
zithoogte = 30 x maat + 4
C
maat = 4 x zithoogte + 30
D
zithoogte = 4 x maat + 26

Slide 20 - Quizvraag

Hiernaast zie je een foto van een schoenenrek. Imelda wil zelf zo’n soort schoenenrek van hout maken.
Ze heeft hiervoor onder andere vier verticale staanders en vier horizontale liggers nodig. Zie de foto. Elke staander is 35 cm, de liggers zijn elk 58 cm lang.
De staanders en de liggers gaat Imelda op maat zagen uit bezemstelen. Deze bezemstelen zijn elk 1,25 meter lang
Bereken hoeveel bezemstelen Imelda minstens moet kopen.
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 21 - Quizvraag

Hiernaast zie je een schets van het vereenvoudigde zijaanzicht van het schoenenrek.

Voor de verbinding tussen de staanders en liggers gebruikt Imelda dunne plankjes. In de schets hiernaast zijn dit de lijnstukken AB, CD en EF.

Opgave 20:
Bereken, zonder te meten, hoeveel cm CD is.
A
21,0 cm
B
16,7 cm
C
20,7 cm
D
28,0 cm

Slide 22 - Quizvraag

De lijnstukken AB en CD zijn niet evenwijdig. 

Opgave 21
Leg uit hoe je dat kunt beredeneren met behulp van de gegeven afmetingen in de schets op de uitwerkbijlage.

Slide 23 - Open vraag

Om ervoor te zorgen dat de schoenen niet van het rek afglijden, moet hoek D in driehoek CDG groter zijn dan 60°.

Opgave 21:
Bereken hoek D in driehoek CDG.
A
25 graden
B
29 graden
C
62 graden
D
65 graden

Slide 24 - Quizvraag

De opa van Sven opent bij de geboorte van zijn kleinzoon een spaarrekening bij een bank, waar hij 2,2% rente per jaar krijgt.

Hij zet bij de geboorte van Sven 700 euro op deze spaarrekening.
 In deze opgave gaan we ervan uit dat de opa van Sven verder geen geld van de spaarrekening haalt of erbij stort en dat het rentepercentage niet verandert. 

Het bedrag op de spaarrekening kan de opa van Sven uitrekenen met de formule :
           B = 700  x 1,022tijd

Hierin is B het bedrag in euro op de spaarrekening en tijd het aantal hele jaren nadat de opa van Sven de spaarrekening heeft geopend. 







Slide 25 - Tekstslide

Het bedrag op de spaarrekening kan de opa van Sven uitrekenen met de formule:



Hierin is B het bedrag in euro op de spaarrekening en tijd het aantal hele jaren nadat de opa van Sven de spaarrekening heeft geopend.

Opgave 22:
Bereken het bedrag op de rekening na 3 jaar.


B=7001,022tijd
A
2 146,20 euro
B
701,07 euro
C
747,22 euro
D
1 271,09 euro

Slide 26 - Quizvraag

Het bedrag op de spaarrekening kan de opa van Sven uitrekenen met de formule:


De opa van Sven wil weten wanneer er 1000 euro op de spaarrekening van zijn kleinzoon staat.

Opgave 23:
Bereken na hoeveel hele jaren er voor het eerst meer dan 1000 euro op de spaarrekening staat.
B=7001,022tijd
A
na 15 jaar
B
na 16 jaar
C
na 17 jaar
D
na 20 jaar

Slide 27 - Quizvraag