Para practicar en clase

¡Bienvenidos a la clase de español!
Capítulo 6: Verano en Cádiz 
Cádiz
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos a la clase de español!
Capítulo 6: Verano en Cádiz 
Cádiz

Slide 1 - Tekstslide

La clase de hoy: De les vandaag

La meta de la clase: het doel van les
De grammatica en de woordenschat opfrissen en die kunnen toepassen in de opdrachten.

Actividades: Grammaticale regels!!    (Oefentoets 1)
- Jullie oefenen met de woordjes van hoofdstuk 6.
- Jullie oefenen met he gebruik van "Ser-Estar -Hay" "Presente". 
- Jullie oefenen met de  "Presente perfecto".
- Jullie oefenen met de "Luistervaardigheid".  
                                      
                                  Voorbereiden op de toets 
                                                                    
                                                                    

Slide 2 - Tekstslide

1. Jullie oefenen met he gebruik van "Ser-Estar -Hay"  
Hay vs Estar en Ser vs Hay

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Sleep het werkwoord naar de juiste plek!
Gijs y yo...........................de México.
 La clase....................... en la tercera planta.
Este reloj................. negro con blaco.
Eloise y Jade......................en el restaurante.
Vosotros ......................... mis estudiantes.
¡Esos postres..............................deliciosos!
Emma y yo ..........................en la discoteca
están
somos
está
es
son
estamos
sois

Slide 5 - Sleepvraag

Om iets te zeggen over het karakter of over hoe groot iemand is, gebruik je het werkwoord...
A
Estar
B
Hay
C
Ser
D
hacer

Slide 6 - Quizvraag

Welke kenmerken horen bij HAY?
Welke kenmerken horen bij HAY?
A
“Hay” + mucho +mal + poco + pocos + mucha + muchas.
B
“Hay” + mucho +muchos + poco + pocos + mucha + muchas.
C
“Hay” wordt gebruikt met onbepaalde lidwoorden. (un - unos - una - unas)
D
“Hay” wordt gebruikt met bepaalde lidwoorden. (la - las - el - los)

Slide 7 - Quizvraag

Als Peppa aan het zoeken was voor George , wat zou zij gebruiken?
hay of estar
Als Emma aan het zoeken was voor Sanna, wat zou zij gebruiken? Hay of Estar
A
"¿Dónde hay George?"
B
"¿Dónde está George?"

Slide 8 - Quizvraag

Als Lisa verveeld was en aan het zoeken was naar een oud boek om te lezen, welke zou ze gebruiken? Está or hay?
Als Lisa verveeld was en aan het zoeken was naar een oud boek om te lezen, welke zou ze gebruiken? Está or hay?
A
Hay, omdat zij niet naar een specifiek boek zocht
B
Está, omdat zij weet waar het boek ligt

Slide 9 - Quizvraag

Welk van deze zinnen is correct?

A
¿Dónde está Waldo?
B
¿Dónde hay Waldo?
C
¿Dónde esta Waldo?
D
¿Donde hay Waldo?

Slide 10 - Quizvraag


Hay vs Estar
1.) Quito....................en el Ecuador.                (2.) ........un restaurante chino delante de mi casa.
3.) ........pocos pasajeros por causa del virus.  (4.) ¿Dónde.................... un cajero automático?
5.) Mi colegio.................... cerca de mi casa.   (6.) Los bolsos................ en la mesa.

Slide 11 - Open vraag


Welke van volgende zinnen hebben een foutje.
A. No veo los bolígrafos. Estáis muchos en la mochila.
B. En el mar hay muchos peces.
C. Nosotros somos en el colegio. 
D. Soy holandés pero vivo en España.
E. ¿Hay los libros en la mesa?
A
A- B - D
B
A- B - D
C
A- C - E
D
A - C - E

Slide 12 - Quizvraag

Samenvatting
Zijn
  • Ser - kenmerken, eigenschappen
  • Estar - zich bevinden, tijdelijke toestand
  • Hay - er is, er zijn, wordt gebruikt wanneer het onderwerp onbepaald is.

Slide 13 - Tekstslide

2. Presente Perfecto

Slide 14 - Tekstslide

De "presente perfecto" heet in het Nederlands de...
A
onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)
B
voltooid verleden tijd (v.v.t.)
C
voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
D
tegenwoordige tijd (t.t.)

Slide 15 - Quizvraag

Het hulpwerkwoord voor "Presente perfecto" heeft twee betekenis
A
heb / ben
B
doen / deed
C
hebben / zijn
D
haber

Slide 16 - Quizvraag

Het hulpwerkwoord voor "presente perfecto is...
A
hace
B
hacer
C
hader
D
haber

Slide 17 - Quizvraag

Het voltooid deelwoord vorm je door achter de stam het volgende te zetten...
A
-ado of -edo
B
-ado of -ido
C
-ado, -ido, -edo
D
-ido

Slide 18 - Quizvraag

Zet het werkwoord tussen haakjes in de Presente perfecto.
Esta semana (viajar, yo) a Barcelona.
A
ha viajado
B
he viajido
C
he viajado
D
ha viajido

Slide 19 - Quizvraag

Noem vier onregelmatige werkwoorden in de presente perfecto en geef de vervoeging.
Noem vier onregelmatige werkwoorden in de "presente perfecto" en schrijf het voltooid deelwoord op van.
Bijvoorbeeld: Ir (gaan) - ido 

Slide 20 - Open vraag

Voltooide deelwoorden zijn...
A
hablido - comido - vivido
B
hablido - comido - vivido
C
hablado - comedo - vivido
D
hablado - comido - vivido

Slide 21 - Quizvraag

schrijf het voltooid deelwoord op van:
visitar

Schrijf het voltooid deelwoord op van: 
A. visitar
B. querer
C. decidir 
B. Leer

Slide 22 - Open vraag

schrijf het voltooid deelwoord op van: "Ir" (gaan)

Slide 23 - Open vraag

Hoe zeg je in het Spaans:
A. wij hebben gezien
B. hij heeft gezien
C. jullie hebben geschreven

Slide 24 - Open vraag

Waarom is de volgende zin niet juist.
Mi hermano y yo caminado mucho.
A
Omdat de presente perfecto uit 2 delen bestaat.
B
Omdat de uitgang van het werkwoord niet correct is.
C
Omdat het hulpwerkwoord niet in de zin staat.
D
Omdat de vervoeging van haber niet in de zin staat.

Slide 25 - Quizvraag


Presente perfecto
1. Celina...........................(caminar) por las playas de Cádiz.
2. Bas y Miguel..........................(ver) cosas muy bonitas en sus vacaciones.
3. Hoy...........................(perder-yo)  mis libros.  
4. ¿Tú...........................(hacer) los deberes en LessonUP?.
5. Nathan siempre............................(vivir) en Holanda.
6..Alicia. y yo...........................(escribir) las respuestas del examen en un su cuaderno.

Slide 26 - Open vraag


Schrijf de vervoeging op in het Spaans.
1.Hoy ..........................(ik heb gedaan) la cena.
2.¿ ..................................(jij hebt meegebracht) tus libros?
3...................................(wij hebben genoten) mucho en la fiesta.
4. ¿......................................(jullie zijn begonnen) a estudiar para el examen?

Slide 27 - Open vraag

voltooid deelwoord=

participio

 ww op -ar= ado    cant ado 

 ww op -er= ido     com ido   

 ww op -ir= ido       viv   ido

Let op:

het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord staan altijd bij elkaar!!!!!

Samenvatting

hulpwerkwoord:

Haber

he

has

ha


hemos

habéis

han

Slide 28 - Tekstslide

Is voor jou duidelijk wat een "voltooid deelwoord"
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

3. Vocabulario
Woordenschat
Hoofdstuk 6 

Slide 30 - Tekstslide

Vocabulario: sleep de juiste combinaties naar elkaar toe
zwemmen
dansen
de zee
de slippers
leuk
hoog
beginnen
samen
de wind
vanmorgen
esta mañana
dl mar
empezar
juntos
divertido/a
alto/a
nadar
bailar
viento
las chanclas

Slide 31 - Sleepvraag


Noem drie woorden bij elke onderwerp in het Spaans:
1. de seizoenen: 1._____ 2. _____ 3. _____
2. het hele werkwoord:  1._____ 2. _____ 3. _____
3. Kledingstuk: 1._____ 2. _____ 3. _____
4. De dagdelen: 1._____ 2. _____ 3. _____

Slide 32 - Open vraag

In ieder rijtje zit een woord dat er niet in thuishoort. Schrijf dat op.
In ieder rijtje zit een woord dat er niet in thuishoort. Schrijf dat op.
1. el bosque - el mar - la playa - tomar el sol.
2. el jersey - la toalla - el bikini- las chanclas .
3. llueve - el viento - el frío - el papel.

Slide 33 - Open vraag

4. Escuchar
Luistervaardigheid

Slide 34 - Tekstslide

Luister dit fragment en sleep de zinnen naar de juiste plek.
Juist

Onjuist

1. Het lievelingslied van José is het lied van de kleuren.
2. De favoriete stad van José is Madrid.
3. José woont in Toledo.
4. Het huis van José heeft 4 slaapkamers.
6. Het huis van José heeft 3 badkamers en 1 woonkamer.
5. Het huis van José heeft 1 keuken.
7. Zijn favoriete plaats in huis in zijn slaapkamer.

Slide 35 - Sleepvraag

Hoe goed heb je de stof van deze les begrepen?
A
Ik snap het helemaal
B
Ik snap het goed
C
Ik snap het een beetje
D
Ik snap het niet

Slide 36 - Quizvraag

¡Fin del examen!

Slide 37 - Tekstslide