cross

Minor A1 Unidad 10.1

Minor A1
Unidad 10
Tengo planes
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansStudiejaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Minor A1
Unidad 10
Tengo planes

Slide 1 - Tekstslide

Tengo planes
  • een voorstel doen, aannemen en afwijzen
  • tijdstip en plaats afspreken
  • zeggen wat iets is
  • iets bestellen in een restaurant
  • bereidingswijzen
  • zeggen hoe het eten smaakt

Slide 2 - Tekstslide

Grammatica
  • voorzetsels + pers.vnmw.
  • saber / poder
  • betrekkelijke bijzinnen
  • nationaliteitsaanduidingen
  • otro/-a, un poco más de 
  • futuro próximo (ir + a + infinitief)

Slide 3 - Tekstslide

¿Qué vamos a hacer hoy?
  • Op portal: "wat kennen/kunnen/weten voor wat betreft grammatica en communicatie" en Oefentoets  
  • Unidad 10  (TB nr. 1 t/m 8)  
  • Los deberes: Unidad 9 ¿Preguntas?
  • Korte herhaling Unidad 9  

Slide 4 - Tekstslide

Ik ben laat opgestaan.
A
Me he levantado tarde
B
Me levanto tarde.
C
He levantado tarde.

Slide 5 - Quizvraag

Ik ben vroeg naar bed gegaan
A
Me he acuestado temprano.
B
Me he acostado temprano.
C
Me acuesto temprano.

Slide 6 - Quizvraag

Miguel _____ (acostarse)a las once.
Miguel is om 23.00 u naar bed gegaan
A
se acuesta
B
se ha acostado
C
se ha acuestado

Slide 7 - Quizvraag

Hoe maak je de Gerundio?
estar
1. estoy
2. estás                   + stam            + ando (-ar werkwoorden)
3. está                                                + iendo (-er/ir) werkwoorden              1. estamos
2. estáis
3. están

Slide 8 - Tekstslide

Formas irregulares

Onregelmatige vormen

(Zie paragraaf 7.2 p.125)
decir - diciendo
venir - viniendo
pedir - pidiendo
leer - leyendo
ir - yendo
dormir - durmiendo

Slide 9 - Tekstslide

¿Cuál es el gerundio de "dormir"?
A
dormiendo
B
dirmiendo
C
durmiendo
D
durmando

Slide 10 - Quizvraag

¿Qué frase es correcta?
Hay más posiblidades.
A
Está leiendo un libro
B
Ha leyendo un libro
C
Ha leído un libro.
D
Está leyendo un libro

Slide 11 - Quizvraag

¿Cómo se dice..?
"Wat ben je nu aan het doen?"

Slide 12 - Open vraag

Plaats van het vnmw. p.119 en120
De persoonlijke vnmw. staan meestal vóór het vervoegde werkwoord.
Me ducho. - Me he duchado. - ¿Las maletas? Ya las he hecho.

Bij de Gerundio kunnen de voornaamwoorden vóór estar staan ... 
  • Me estoy duchando. - Las estoy haciendo.
Maar ze mogen ook direct achter de Gerundio staan. Om de klemtoon te handhaven krijgt de Gerundio dan wel een accent.
  • Estoy duchándome. - Estoy haciéndolas.

Slide 13 - Tekstslide

Plaats van het  vnmw. p.119 en 120
Ook bij de Infinitief kunnen de voornaamwwoorden zowel vóór als achter het hele werkwoord staan.
Me quiero duchar. = Ik wil me douchen.
Quiero ducharme. = Ik wil me douchen.
Las quiero hacer. = Ik wil ze inpakken (de koffers)
Quiero hacerlas. = Ik wil ze inpakken (de koffers)

Slide 14 - Tekstslide

¿Como se dice?
Ik ben me aan het douchen.

Slide 15 - Open vraag

¿Como se dice?
Ik wil me douchen.

Slide 16 - Open vraag

4. ¿Los niños han preparado ya sus mochilas?
-Sí, han preparado ya sus mochilas. 
sus mochilas = lijdend vw -> las
  • Sí, las han preparado ya.
Están : los niños= ellos, dus hulpww 'están'
Sus mochilas = lijdvw-> vervangen door  "las"
  • Las están preparando /  Están preparándolas
Nr. 22 WB p. 87 

Slide 17 - Tekstslide

5. María, ¿has puesto ya los pasaportes en la mochila?
-Sí, he puesto ya los pasaportes en la mochila 
los pasaportes = lijdend vw -> los
  • Sí, los he puesto ya.

puesto = participio van 'poner', gerundio = poniendo
  • Los estoy poniendo /  Estoy poniéndolos
Nr. 22 WB p. 87 

Slide 18 - Tekstslide

6. Pedro, ¿has pedido ya un taxi?
-Sí, he pedido ya un taxi 
un taxi = mnl ev -> lijdend vw -> lo
  • Sí, lo he pedido ya.
pedido = participio van 'pedir (i)', gerundio = pidiendo
  • Lo estoy pidiendo /  Estoy pidiéndolo
Nr. 22 WB p. 87 

Slide 19 - Tekstslide

10: Tengo planes
Parte I
El tiempo libre
  • een voorstel doen, aannemen en afwijzen
  • tijdstip en plaats afspreken
  • betrekkelijke bijzinnen
  • constructie 'met mij/met jou" 
  • kunnen: saber vs poder

Slide 20 - Tekstslide

Vrije tijd,
Welke activiteiten ken je in het Spaans?

Slide 21 - Woordweb

TB. p.87 TENGO PLANES
¿Qué haces en tu tiempo libre?    
¿Tienes aficiones?   



Slide 22 - Tekstslide

Nr. 1a Tb p. 87
 1. Me gusta (+infinitief) 
 
2. No me gusta nada/ odio (+infinitief) 
 
3. Nunca he (+voltooid deelwoord) 
 
4. No sé (+infinitief) 
timer
3:00

Slide 23 - Tekstslide

Saber:  kunnen, weten
Gebruik: kennis, vaardigheid

Sé hablar español. 
¿Sabes conducir un coche?
Sé cocinar bien.

zie ook R&S WB p. 102                Maak Nr. 4 WB p.94                    
Poder: kunnen 
Gebruik: mogelijkheid, toestemming 
Puedo ir a pie al trabajo.
No podemos salir hoy.
No puedo ayudarte con la tarea.
¿Puedo pagar con tarjeta?

timer
3:00

Slide 24 - Tekstslide

TB nr. 2a  p.88 ¿Y si vamos a...?

      ¿Qué van a hacer Teresa y María Elena?
                                                   voy
        Ir + a + infinitief          vas
                                                  va                              a          salir
                                                   vamos
                                                   vais
                                                   van

60
Quedar = afspreken

Slide 25 - Tekstslide

TB nr. 2a p.88 Y tú, ¿Qué vas a hacer…. ?
…. el próximo domingo 
… las vacaciones de verano
… el día de tu cumpleaños

Ir + a + infinitief 

Slide 26 - Tekstslide

Nr. 3ab TB p.88 - Quedar con amigos
Uitdrukkingen om iets af te spreken, een voorstel doen en aannemen of juist afwijzen:
  • ¿Cómo quedamos? 
  • ¿Dónde quedamos? 
  • ¿A qué hora quedamos?
  • ¿Qué tal delante de/ a las 20h / mañana?
in LA: nos encontramos (ontmoeten we elkaar), Sp: quedamos
Nr. 3a lezen en 3b aanvullen

Slide 27 - Tekstslide


Let op bij het voorzetsel con met een voornaamwoord:

a, para, sin, de, etc. + :


ti

él, ella, usted

nosotros/as

vosotros/as

ellos. ellas, ustedes

con (met):


conmigo

contigo

con él, ella, usted

con nosotros/as

con vosotros/as

con ellos, ellas, ustedes

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

vamos a practicar

Slide 31 - Tekstslide

Bedenk bij het volgende antwoord een passende vraag.
-Mejor el martes, es que el lunes tengo clase

Slide 32 - Open vraag

Bedenk bij het volgende antwoord een passende vraag.
-Delante del supermercado es perfecto

Slide 33 - Open vraag

Bedenk bij het volgende antwoord een passende vraag.
-¿Qué tal a las diez y media?

Slide 34 - Open vraag

Bedenk bij het volgende antwoord een passende vraag.
-De acuerdo, delante de la piscina.

Slide 35 - Open vraag

Nr. 10 WB p.95 
Maak 10 WB (si hay tiempo, ahora y si no, en grupos) 

Let op: je vult een vorm in van ir en soms heb je ook een voorzetsel nodig zoals a (van ir a + inf.) of al/ a la, con, de

Slide 36 - Tekstslide


betrekkelijk vnw: que / donde
nr. 5b TB : vamos a leer el texto

nacionalidades:
tortilla francesa/española: ver 7a TB

hacemos 6a y b juntos

Slide 37 - Tekstslide

Deberes
  1. Maken oef. 1 t/m 17  WB. U10
  2. Vocabulario leren U.10

¡Disfruta de las vacaciones!

Slide 38 - Tekstslide