Maandag, 16.02.21

Was machen wir heute?
  1. Ein kleiner Teste
  2. Noch einmal Wiederholen
  3. Fälle 
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Was machen wir heute?
  1. Ein kleiner Teste
  2. Noch einmal Wiederholen
  3. Fälle 

Slide 1 - Tekstslide

Schreib auf welche Unterrichtsfächer du hast?
timer
1:00

Slide 2 - Open vraag

Was machst du in der Schule?
timer
1:00

Slide 3 - Open vraag

Schrijf de dagen van de week op. Met lidwoorden
timer
1:00

Slide 4 - Open vraag

zeg nu in het Duits: op maandag en op vrijdag heb ik Duits
timer
1:00

Slide 5 - Open vraag

Wie sieht dein Schultag aus? 

Slide 6 - Tekstslide

Was kannst du jetzt über dich selber erzählen?

Slide 7 - Tekstslide

Schreibe die Sätze richtig.
1. trinken - Milch -  Ich - gerne
2. du - Wie - finden- Rap?
3. möchtest - du - was?
4. gerne - trinken - du - Saft?
5.Pop - finden - er - doof
6. Hannes - du - sein?
timer
3:00

Slide 8 - Tekstslide

Stelle Fragen.
1. Nein, ich trinke Milch.
2. Nein, ich möchte Saft?
3. Ich trinke gern Limonade.
4. Ich möchte Wasser. 
5. Stefan
6. Ich finde Rocky doof
timer
3:00

Slide 9 - Tekstslide

Die Realschule ist:
A
vmbo
B
havo
C
vwo
D
Lyceum

Slide 10 - Quizvraag

Die Hauptschule ist:
A
vmbo
B
havo
C
vwo
D
Lyceum

Slide 11 - Quizvraag

Die Gymnasium ist:
A
vmbo
B
havo
C
vwo
D
Lyceum

Slide 12 - Quizvraag

de oefening

Slide 13 - Open vraag

de klok; het uur

Slide 14 - Open vraag

laat - vroeg

Slide 15 - Open vraag

Die deutsche Schule
In Deutschland und in der Schweiz dauert eine Unterrichtsstunde 45 Minuten, in Österreich 50 Minuten. Die Notenskala geht in Deutschland von 1 bis 6. Die 1 ist die Beste Note. In der Schweiz ist die 6. die beste Note. In Österreich gibt es die Noten 1 bis 5. 
1= sehr gut (uitstekend) 
2= gut (goed) 
3= befriedigend (ruim voldoende)
4 = ausreichend (voldoende)
5 = mangelhaft (onvoldoende) 
6 = ungenügend (zwaar onvoldoende) 
das Zeugnis = het rapport 
die Note = het cijfer
die Leistung
de prestatie 

Slide 16 - Tekstslide

Ordne bitte in deinem Heft diese Ausdrücke. 
super-blöd-cool-nicht so gut - voll langweilig - toll - interessant - totaal blöd - uninteressant - ganz gut - okay - echt gut - okay- echt gut- voll gut - na ja - es geht - sehr interessant

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Bekijk nu eerst op de volgende pagina de uitleg video!

Slide 20 - Tekstslide

Dan nu:
Eens kijken of je goed hebt opgelet en de volgende vragen kunt beantwoorden!

Slide 21 - Tekstslide

In welke naamval staat het onderwerp?
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval
D
weet ik niet

Slide 22 - Quizvraag

Welke naamval krijgt altijd het lijdend voorwerp?
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval
D
weet ik niet

Slide 23 - Quizvraag

Welke naamval krijg je bij een meewerkend voorwerp?
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval
D
weet ik niet

Slide 24 - Quizvraag

Hoe kun je het onderwerp in een zin vinden?

Slide 25 - Open vraag

Hoe kun je het lijdend voorwerp in een zin vinden?

Slide 26 - Open vraag

"Wat is het onderwerp in deze zin:
Der Mann gibt seiner Mutter einen Kuss!
A
der Mann
B
gibt
C
seiner Mutter
D
einen Kuss

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: Der Mann gibt seiner Mutter einen Kuss!
A
der Mann
B
gibt
C
seiner Mutter
D
einen Kuss

Slide 28 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin:
Der Mann gibt seiner Mueer einen Kuss!
A
der Mann
B
gibt
C
seiner Mutter
D
einen Kuss

Slide 29 - Quizvraag

STAPPENPLAN ONTLEDEN
Schrijf dit stappenplan op in je schrift!
1.  Onderstreep het zelfstandig naamwoord in de zin (waar je iets bij moet invullen)
    (tip:  zelfstandige naamwoorden schrijf je in het Duits altijd met een hoofdletter)
2. Zet erbij of het m / v / o / mv is (woordenlijst leren!!)
3. Zoek het onderwerp (wie + pv) --> 1e naamval
4. Zoek (eventueel) het lijdend voorwerp (wie/wat + gezegde + onderwerp?) --> 4e naamval
5.  Zoek (eventueel) het meewerkend voorwerp (aan wie / voor wie?) --> 3e naamval

LET OP: NIET IN IEDERE ZIN KOMT EEN LIJDEND VOORWERP OF MEEWERKEND VOORWERP VOOR!

Slide 30 - Tekstslide

Schrijf de zinnen over, onderstreep de zelfstandige naamwoorden, noteer m/v/o/mv en zet de naamvallen erbij!

VOORBEELD:    Der Mann schreibt meiner Schwester eine Karte.
                                      1, m                                                  3, v                      4, v

HOE HEB IK DAT GEDAAN?
1. wie schrijft? de man = onderwerp = 1e naamval
2. wie of wat schrijft de man? een kaart = lijdend voorwerp = 4e naamval
3. aan wie? aan mijn zus = meewerkend voorwerp = 3e naamval
                                                 
                       

Slide 31 - Tekstslide

Nu jullie:
Schrijf de zinnen over, onderstreep de zelfstandige naamwoorden, noteer m/v/o/mv [TIP: woorden H5 of woordenboek!] en zet de naamvallen erbij! 


1.  Der Polizist trägt einen grünen Anzug.
2.  Der Lehrer erzählt  den  Jugendlichen die Lösungen.
3.  Der Bäcker backt täglich unser Brot.
4. Hat der Tierpfleger schon ein Praktikum gemacht?
5. Meine Realschule liegt in Sittard.

Slide 32 - Tekstslide

die Lösungen
1. Der Polizist [1,m]trägt einen grünen Anzug [4,m].
2. Der Lehrer [1,m] erzählt den Jugendlichen [3,mv]die Lösungen [4,mv]
3. Der Bäcker [1,m] backt täglich unser Brot [4,o].
4. Hat der Tierpfleger [1,m] schon ein Praktikum  [4,o] gemacht?
5. Meine Realschule [1,v] liegt in Sittard.

Slide 33 - Tekstslide

Welke naamvallen zijn er in het Duits?

Slide 34 - Open vraag

Wanneer krijg je de 3e naamval?

Slide 35 - Open vraag

Wanneer krijg je de 4e naamval?

Slide 36 - Open vraag

Ik begrijp de naamvallen nu
goed
een beetje
helemaal niet

Slide 37 - Poll

Übung 15
1 Meine Mutter (1e nv) hat mir (3e nv) die Aufgabe (4e nv) erklärt.
2 Die Lehrerin (1e nv) hat uns (3e nv) ein wenig Freizeit (4e nv) versprochen.
3 Meinem Freund (3e nv) schreibe ich (1e nv) eine E-Mail (4e nv).
4 Der Lehrer (1e nv) gibt den Schülern (3e nv) die Blätter (4e nv).
5 Meine Schwester (1e nv) zeigt unserer Mutter (3e nv) ihr Zeugnis (4e nv).
6 Mein Bruder (1e nv) hat mir (3e nv) seinen Taschenrechner (4e nv) ausgeliehen.
7 Ihren Freunden (3e nv) erzählt deine Cousine (1e nv) einen Witz (4e nv).
8 Mir (3e nv) hat unser Onkel (1e nv) eine Eselsbrücke (4e) beigebracht.
9 Ich (1e nv) habe ihm (3e nv) die Antwort (4e nv) verraten.
10 Seinen Freund (4e nv) hat er (1e nv) seinen Eltern (3e nv) vorgestellt.

Slide 38 - Tekstslide

16 
1 Sitzt 2 arbeitet 3 zeichnet 4 endet 5 heißt
6 öffnet 7 machen 8 Wartet
9 kostet
10 lerne

Slide 39 - Tekstslide