Les 5 Verwijswoorden

Verwijswoorden
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Verwijswoorden

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

DOEL


- je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken
formuleren: 
verwijswoorden

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verwijzen meestal 
naar een woord dat al eerder genoemd is of 
wijzen vooruit naar een woord dat nog genoemd gaat worden.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het was vervelend dat ik in mijn vakantie kiespijn kreeg.
Het verwijst naar:
____
A
mijn vakantie
B
was vervelend
C
kiespijn
D
dat ik in mijn vakantie kiespijn kreeg

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De toneelvereniging zal haar voorstelling dit jaar in de Nobelaer geven.
Haar verwijst naar:
_____
A
De toneelvereniging
B
voorstelling
C
dit jaar
D
in de Nobelaer.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik moet mijn verstandskiezen laten trekken en dat valt niet mee.
Dat verwijst naar:
_____
A
verstandskiezen laten trekken
B
mijn verstandskiezen laten trekken
C
Ik
D
Ik moet mijn verstandskiezen laten trekken

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Roken kan schadelijk voor je gezondheid zijn: daar kun je kanker van krijgen.
Daar ... van verwijst naar:
___________
A
Roken
B
schadelijk
C
voor je gezondheid
D
Roken kan schadelijk voor je gezondheid zijn

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden


vrouwelijke woorden: verwijs met zij of haar


mannelijke woorden: verwijs met hij of zijn


onzijdige woorden: verwijs met het of zijn

vrouwelijk / mannelijk / onzijdig
Als mijn tante komt logeren, neemt zij haar hondjes mee.
Ben gaat zwemmen en hij neemt zijn duikbril mee.
Het rugbyteam behaalde zijn eerste beker.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden

hun:



hen:

hun of hen

hun iPad (bezittelijk voornaamwoord)

Ik geef hun een iPad (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel)

die jongen heeft hen voorgelogen (lijdend voorwerp)

Ik geef een iPad aan hen (na een voorzetsel)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verwijswoorden

met wie:



waarmee (waarvoor, waartegen, ...):

met wie / waarmee

verwijzen naar personen

de klasgenoot met wie ik afgesproken had, is helaas ziek

verwijzen naar dieren of dingen

dat is het paard  waarvoor ik bang ben

de bus waarmee we naar Berlijn reisden, was comfortabel

dat is de deur waartegen ik gebotst ben

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vul een passend verwijswoord in:
Morgen kiest het verenigingsbestuur ___ nieuwe voorzitter.

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul een passend verwijswoord in:
Heb jij de adressen van alle honkbalteamleden? Wil je me ___ even e-mailen?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul een passend verwijswoord in:
Het meisje ___ op de cover van de Yes staat, is de zus van mijn vriendin.

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul een passend verwijswoord in:
De honden waren onrustig, dus ik ben met ___ gaan wandelen.

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul een passend verwijswoord in:
Waar is mijn mobieltje? Ik ben ___ al dagen kwijt.

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De fiets ___ ik jarenlang naar school fietste, is gestolen.
A
op wie
B
waarop

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De jongen ___ Madelon verliefd is, heet Wietse.
A
op wie
B
waarop

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lady Gaga, ___ Anna een fan is, treedt deze maand op in Ziggo Dome.
A
van wie
B
waarvan

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De economieleraar ___ ik je vertelde, geeft ook wiskunde.
A
over wie
B
waarover

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Laura heeft zes katten, ____ ze een speciale band heeft.
A
met wie
B
waarmee

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

GELEERD?


- je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken
formuleren: 
verwijswoorden

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Energizer!

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Getallenspel
1. De groep gaat in een cirkel staan en telt tot 100
2. Je mag geen 7 zeggen of de veelvoud van 7. Je klapt ipv het getal zeggen.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Getallenspel
1. De groep gaat in een cirkel staan en telt tot 100
2. Je mag geen 7 zeggen of de veelvoud van 7. Je klapt ipv het getal zeggen.
3. Je mag nu ook geen 4 zeggen of de veelvoud van 4. Je springt dan.

Slide 25 - Tekstslide

https://www.youtube.com/watch?v=A4ldce2wNGo
Getallenspel
1. De groep gaat in een cirkel staan en telt tot 100
2. Je mag geen 7 zeggen of de veelvoud van 7. Je klapt ipv het getal zeggen.
3. Je mag nu ook geen 4 zeggen of de veelvoud van 4. Je springt dan.
4. Je mag nu ook geen 3 zeggen of de veelvoud van 3. Dan kuch je.

Kom je bij een getal wat vanwege meerdere opties niet gezegd mag worden dan pas je alle vervangende geluiden toe. Dus bijv bij 12 kuch en spring je!

Slide 26 - Tekstslide

https://www.youtube.com/watch?v=A4ldce2wNGo
Studiemeter
STUDIEMETER / 3F / STIJL / DAT-WAT / DIE-WIE / DIE-DAT / 
OEFENING 1,2,3


Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies