Thema 6: Farmacologie en dringen medische hulpverlening
Hoofdstuk 2: Geneesmiddelen gerelateerd aan sympaticus en parasympaticus
Sylvester Vanden Eede
03/02/2026
Thema 6: Farmacologie en dringen medische hulpverlening
Hoofdstuk 2: Geneesmiddelen gerelateerd aan sympaticus en parasympaticus
Sylvester Vanden Eede
03/02/2026
Deze slide heeft geen instructies
Terugkoppeling naar hoofdstuk 1
In hoofdstuk 1 leerden we:
Hoe een geneesmiddel in het lichaam komt
Hoe het door het lichaam getransporteerd wordt
Hoe het het lichaam verlaat
Nu leren we:
==> Wat het geneesmiddel doet in het lichaam
Deze slide heeft geen instructies
Farmacodynamische fase
Farmacodynamiek=
Werking van het geneesmiddel
Vragen:
Waar werkt het?
Wat verandert er in het lichaam?
Deze slide heeft geen instructies
2.1 Het zenuwstelsel: schematisch
Het zenuwstelsel heeft twee delen:
Somatisch systeem ==> wat je zelf stuurt
Autonoom systeem ==> wat vanzelf gaat
Vandaag: autonoom zenuwstelsel
Deze slide heeft geen instructies
2.1 Het zenuwstelsel: schematisch
Schema op bord tekenen
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Het autonoom zenuwstelsel heeft twee delen:
Sympaticus
Parasympaticus
Ze werken altijd samen
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer is de sympaticus vooral actief?
Bij gevaar
Tijdens slapen
Na een maaltijd
Tijdens het lezen
Deze slide heeft geen instructies
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Sympaticus =
ACTIE!!
Fight or flight
Stress, gevaar
Neurotransmitter: adrenaline/ noradrenaline
==> OVERLEVEN IN LEVENSBEDREIGENDE SITUATIES!
Neurotransmitter:
Chemische boodschappersstoffen in de hersenen die signalen overdagen tussen zenuwcellen (neuronen) via synapsen. Ze reguleren essentiële lichaamsfuncties zoals stemming, emoties, slaap, eetlust, spierbewegingen en cognitieve processen.
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Sympaticus =
Alfa & bètareceptoren
Bètereceptoren belangrijkst!
B1- receptor: zitten in het hart
B2- receptor: zitten in bloedvaten en longen
Neurotransmitter:
Chemische boodschappersstoffen in de hersenen die signalen overdagen tussen zenuwcellen (neuronen) via synapsen. Ze reguleren essentiële lichaamsfuncties zoals stemming, emoties, slaap, eetlust, spierbewegingen en cognitieve processen.
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Sympaticus =
Neurotransmitter:
Chemische boodschappersstoffen in de hersenen die signalen overdagen tussen zenuwcellen (neuronen) via synapsen. Ze reguleren essentiële lichaamsfuncties zoals stemming, emoties, slaap, eetlust, spierbewegingen en cognitieve processen.
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Parasympaticus =
RUST!!
Rust en herstel
Eten en verteren
Neurotransmitter: acetylcholine
Deze slide heeft geen instructies
2.2 Sympaticus & parasympaticus
Parasympaticus =
RUST!!
Deze slide heeft geen instructies
2.2 Sympaticus & parasympaticus
EVENWICHT
Het lichaam heeft evenwicht nodig
Soms actie
Soms rust
==> We hebben altijd beide systemen nodig!
Deze slide heeft geen instructies
Het lichaam gebruikt altijd maar één systeem tegelijk?
Waar
Niet waar
Niet waar
2.2 Sympaticus & parasympaticus
EFFECTEN IN HET LICHAAM
Sympaticus (actie)
Tachycardie
Tachypnoe
Mydriasis
Darmen werken minder
Deze slide heeft geen instructies
2.2 Sympaticus & parasympaticus
EFFECTEN IN HET LICHAAM
Parasympaticus (rust)
Eerder bradycard
Eerder bradypnoe
Neiging naar miosis
Toenemende darmwerking
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Sleepvraag
STIMULEREN
REMMEN
Mimetica
Lytica
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
Er zijn vier groepen medicijnen
Sympaticomimetica ==> ACTIE versterken ==> B2 mimetica
Sympaticolytica ==> ACTIE tegengaan ==> betablokker
Parasympaticomimetica ==> RUST versterken ==> cholinergica
Parasympaticolytica ==> RUST tegengaan ==> anticholinergica
==> Een mimeticum is een meewerker en een lyticum een afbreker!
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.1 Sympaticomimetica = ACTIE VERSTERKEN = B2 mimetica
Effect:
Meer actie
Luchtwegen open
Gebruik:
Astma
COPD
Werken op de sympaticus
Werken op B2 receptoren die zich vooral in de longen bevinden.
Vooral bij luchtwegaandoeningen.
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.1 Sympaticomimetica = ACTIE VERSTERKEN = B2 mimetica
Palpitaties (hartkloppingen)
Tachycardie (snelle hartslag)
Nervositeit
Neveneffecten:
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.1 Sympaticomimetica = ACTIE VERSTERKEN = B2 mimetica
SABA's: short acting B2 agonist bijv. Ventolin
LABA's: long acting B2 agonist bijv. Serevent
SAMA's: short acting muscarinic antagonist bijv. Atrovent
LAMA's: long acting muscarinic antagonist bijv. Spiriva
SABA & LABA= sympaticomimetica dus nevenwerkingen
SAMA & LAMA = parasympaticolyticum. Remt dus de parasympaticus af. Vernauwing van de luchtwegen wordt tegengegaan, zonder een tachycardie te veroorzaken.
Anticholinergica zorgen voor meer rust?
Waar
Niet waar
Niet waar
Wat doet een bètablokker?
Tachycardie
Bradycardie
Bronchodilatator
Bradypnoe
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.2 Sympaticolytica = ACTIE TEGENGAAN = bètablokker
Effect:
Hartslag trager
Bloeddruk lager
Gebruik:
Hoge bloeddruk
Hartritmestoornissen
Sympaticolytica heeft dus een remmende werking op de sympaticus. Hier zijn de betareceptoren dus belangrijk. Deze zullen de adrenerge receptoren blokkeren.
Deze groep speelt vooral een rol binnen de cardiovasculaire geneesmiddelen.
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.2 Sympaticolytica = ACTIE TEGENGAAN = bètablokker
Positief inotroop: versterkt de contractiekracht
Positief chronotroop: versnelt het hartritme
Negatief inotroop: verzwakt de contractiekracht
Negatief chronotroop: vertraagt het hartritme
Het is in deze context belangrijk om het verschil te kennen tussen chronotropie en inotropie. De inotropie gaat over de contractiekracht, de chronotropie gaat over het hartritme. Men bekomt steeds een positief of negatief effect.
Een betablokker is dus negatief chronotroop en negatief inotroop. Daarom hebben ze een antihypertensieve werking en een anti-aritmische werking.
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.2 Sympaticolytica = ACTIE TEGENGAAN = bètablokker
LET OP:
Twee types bètareceptoren! B1 zitten vooral in het hart en de B2 in bloedvaten en longen. Als we met sommige bètablokkers de bèta-receptoren blokkeren, blokkeren we niet enkel de B1 (zoals we willen) maar ook de B2-receptoren. Gevolg = ongewenste effecten! Vooral een bronchoconstrictie bij astma en COPD moeten opgevolgd worden!
Daarom cardioselectieve bètablokker!!!! Bijv. Bisoprolol
Het is in deze context belangrijk om het verschil te kennen tussen chronotropie en inotropie. De inotropie gaat over de contractiekracht, de chronotropie gaat over het hartritme. Men bekomt steeds een positief of negatief effect.
Een betablokker is dus negatief chronotroop en negatief inotroop. Daarom hebben ze een antihypertensieve werking en een anti-aritmische werking.
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.1.2 Sympaticolytica = ACTIE TEGENGAAN = bètablokker
Bradycardie
Hartfalen
Moeheid
Verminderde inspanningscapaciteit
Astma aanval
...
Neveneffecten:
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.2.1 Parasympaticomimetica = RUST VERSTERKEN = Cholinergica
Effect:
Meer rust
Minder actie
==> Er zijn geen echte medicatiegroepen die tot de cholinergica behoren. Wel hebben sommige medicijnen en cholinergische werking.
Stimuleert de parasympaticus
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.2.2 Parasympaticolytica = RUST TEGENGAAN = Anticholinergica
Effect:
Minder rust
Meer actie
Werken de parasympaticus tegen. Ze zorgen voor minder rust in het lichaam.
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.2.2 Parasympaticolytica = RUST TEGENGAAN = Anticholinergica
Effecten:
Ontspannen van de blaas ==> Oxybutinine
Minder beweeglijkheid van de darmen ==> Buscopan
Bronchoconstrictie tegengaan ==> Atrovent/ Spiriva
Secretieremmend, pupildilatatie, acute bradycardie ==> Atropine
Deze slide heeft geen instructies
2.3 Medicatie die inwerkt op de sympaticus en parasympaticus
2.3.2.2 Parasympaticolytica = RUST TEGENGAAN = Anticholinergica
Deze slide heeft geen instructies
Casus: Een zorgvrager met COPD krijgt een inhalator. Werkt deze op de sympaticus of parasympaticus? Ken je een voorbeeld?
Een inhalator werkt door de parasympaticus te remmen.
Anticholinerg zoals Atrovent/ Spiriva
Uitleg:
- De medicatie is vaak een sympaticomimeticum
- Ze stimuleert de sympaticus
- De luchtwegen worden wijder
- Ademen gaat makkelijker
SAMENVATTING
Farmacodynamiek = werking
Sympaticus = actie
Parasympaticus = rust
Medicijnen kunnen dus stimuleren of remmen
Deze slide heeft geen instructies
2.4 Geneesmiddelen in de dringende medische hulpverlening
Deze medicijnen worden gebruikt bij noodsituaties!
Parasympaticus = cholinerg = RUST ==> Atropine (anticholinerg) is enige medicijn dat deze werking kan neutraliseren. Wordt gebruikt bij bradycardie.
Sympaticus = adrenerg = ACTIE ==> Adrenaline/ noradrenaline veroorzaakt actie. Wordt gebruikt bij reanimatie (asystolie), bronchodilaterend, VF meer kans op slagen defibrilleren, anafylactische shock, astma aanval...
Deze slide heeft geen instructies
2.4 Geneesmiddelen in de dringende medische hulpverlening
Deze medicijnen worden gebruikt bij noodsituaties!
Dobutamine: bij acute hartdecompensatie, cardiogene shock, septische shock, slechte nierdoorbloeding. Werkt diuretisch.
Noradrenaline (Levophed): vasoconstrictie arteriële bloedvaten (niet in coronairen of cerebrale vaten). Verhogen bloeddruk.
Calciumchloride: verhoogt contractiekracht van het hart. Ondersteunt mechanische werking van het hart.
Deze slide heeft geen instructies
2.4 Geneesmiddelen in de dringende medische hulpverlening
Deze medicijnen worden gebruikt bij noodsituaties!
Lidocaïne: vermindert de prikkelbaarheid van het myocardweefsel en geleidingssysteem.
Lasix: krachtig diureticum.
Diprivan: anesteticum
Deze slide heeft geen instructies
Wat heb je geleerd vandaag?
Deze slide heeft geen instructies