Les 38

Telefoon
  • De leerlingen hebben hun telefoon thuis, in de kluis of in het Zakkie
  • Wanneer de leerling toch de telefoon erbij pakt, volgt een eerste waarschuwing
  • De leerling wordt in de gelegenheid gesteld zich te corrigeren en zijn/haar telefoon alsnog in het Zakkie te doen. 
  • Wanneer een leerling geen Zakkie bij zich heeft, dan dient de leerling deze thuis op te halen of een nieuwe te kopen bij de balie (5 euro). 
  • Wanneer een leerling weigert volgt de procedure van “eruit gestuurd”.  
Welkom WKMB!
Startklaar?
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Telefoon
  • De leerlingen hebben hun telefoon thuis, in de kluis of in het Zakkie
  • Wanneer de leerling toch de telefoon erbij pakt, volgt een eerste waarschuwing
  • De leerling wordt in de gelegenheid gesteld zich te corrigeren en zijn/haar telefoon alsnog in het Zakkie te doen. 
  • Wanneer een leerling geen Zakkie bij zich heeft, dan dient de leerling deze thuis op te halen of een nieuwe te kopen bij de balie (5 euro). 
  • Wanneer een leerling weigert volgt de procedure van “eruit gestuurd”.  
Welkom WKMB!
Startklaar?

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je maakt opdrachten in code+ online.
  • Je speelt een wedstrijd in een team.

Slide 2 - Tekstslide

Starten met code+ online
timer
18:00

Slide 3 - Tekstslide

Wedstrijd in groepjes

Slide 4 - Tekstslide

4 rondes 
Ronde 1: meerkeuzevragen
Ronde 2: woordenslang
Ronde 3: raad het woord
Ronde 4: wat proef je?

Slide 5 - Tekstslide

Ronde 1: meerkeuze vragen
  • Overleg met je groep.
  • Zet een cirkel om het goede antwoord. 

Slide 6 - Tekstslide

Welke zin is goed?

A. In de vakantie reis ik naar Drenthe.
B. Als ik ben vrij, ik ga naar Drenthe.
C. Omdat hij vrij bent reist hij naar Drenthe.

Slide 7 - Tekstslide

Welk woord moet in de zin?

Ik heb een mooi nieuw huis ..... ik ben heel blij.

A. want
B. maar
C. dus 

Slide 8 - Tekstslide

Welke zin is goed?
A. Ik neem niet huiswerk mee voor de voorjaarsvakantie 
B. In de voorjaarsvakantie heb ik geen plannen.
C. Het weer is helaas geen mooi in de vakantie.

Slide 9 - Tekstslide

Welk woord moet in de zin?
Ik moet veel werken, ..... er zijn veel zieke collega's.

A. want
B. maar
C. dus

Slide 10 - Tekstslide

Welk voorzetsel moet in de zin?
______ de les mogen we niet allemaal tegelijk naar de wc.

A. bij
B. tussen
C. tijdens

Slide 11 - Tekstslide

Ronde 2: woordenslang
  • Begin met de letter .....
  •  Schrijf zoveel mogelijk woorden achter elkaar. 

Bijvoorbeeld 
FietS SchaatS SchoeN NeuS Stift TeeN .....

De woorden tellen alleen als ze goed zijn geschreven!!

Slide 12 - Tekstslide

timer
5:00

Slide 13 - Tekstslide

Ronde 3
  • Raad de woorden die ik omschrijf.

Slide 14 - Tekstslide

timer
5:00

Slide 15 - Tekstslide

Ronde 4
  • Kies steeds 1 'proever'.
  • Schrijf samen ( in het Nederlands!) op wat er geproefd is. 

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide