1.4 Kom je uit met je geld?

1. Maak de opdrachten 43 t/m 55.
2. Uitleg nodig? Deze kun je terugvinden op de volgende dia's 
2. Klaar? maak de oefentoets op blz. 29
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

1. Maak de opdrachten 43 t/m 55.
2. Uitleg nodig? Deze kun je terugvinden op de volgende dia's 
2. Klaar? maak de oefentoets op blz. 29

Slide 1 - Tekstslide

In deze presentatie leer je:
-Welke soorten inkomens er zijn 
-Wat een begroting is
-Welke soorten uitgaven er zijn
-Hoe je bedragen omrekent van week naar maand en van maand naar week
Wat reserveren is en hoe je dat berekent.

Slide 2 - Tekstslide

Soorten inkomens
Er zijn drie soorten inkomens.
  • Loon of salaris ontvang je als je voor een baas werkt.
  • Winst is je inkomen als je een eigen bedrijf hebt.
  • Een uitkering ontvang je van de overheid. Bijvoorbeeld als je werkloos of arbeidsongeschikt bent. Ouders van kinderen onder de achttien krijgen kinderbijslag.

Slide 3 - Tekstslide

Begroting
Heb je genoeg inkomsten om al je uitgaven te kunnen betalen? Dat kun je van tevoren zien als je een begroting maakt.
Een begroting is een overzicht van je verwachte inkomsten en je verwachte uitgaven voor de komende periode.

Slide 4 - Tekstslide

Omrekenen van week naar maand
1 jaar = 12 maanden = 52 weken.
  • Weekbedrag × 52 = jaarbedrag.
  • Jaarbedrag ÷ 12 = maandbedrag.
Dat kan ook in één keer:
Weekbedrag × 52 ÷ 12 = maandbedrag

Voorbeeld
Je krijgt € 7,50 per week. Hoeveel is dat per maand?
€ 7,50 × 52 ÷ 12 = € 32,50

Slide 5 - Tekstslide

Omrekenen van week naar maand
1 jaar = 12 maanden = 52 weken.
  • Weekbedrag × 52 = jaarbedrag.
  • Jaarbedrag ÷ 12 = maandbedrag.
Dat kan ook in één keer:
Weekbedrag × 52 ÷ 12 = maandbedrag
Voorbeeld  
Je krijgt € 7,50 per week. Hoeveel is dat per maand?
€ 7,50 × 52 ÷ 12 = € 32,50

Slide 6 - Tekstslide

Omrekenen van maand naar week
1 jaar = 12 maanden = 52 weken.
  • Maandbedrag × 12 = jaarbedrag.
  • Jaarbedrag ÷ 52 = weekbedrag.
Dat kan ook in één keer:
Maandbedrag × 12 ÷ 52 = weekbedrag

Voorbeeld
Je abonnement kost € 32,50 per maand. Hoeveel is dat per week?
€ 32,50 × 12 ÷ 52 = € 7,50

Slide 7 - Tekstslide

soorten uitgaven
Er zijn drie soorten uitgaven
  1. vaste lasten: Uitgaven die je met een vaste regelmaat moet betalen, zoals huur, abonnement, contributie.
  2. huishoudelijke opgaven of dagelijkse uitgaven : Uitgaven voor het huishouden, voor persoonlijke verzorging, cadeautjes en uitgaan
  3. incidentele uitgaven: Meestal grote uitgaven die je af en toe doet, zoals aanschaf van kleding, apparaten of vakantie.

Slide 8 - Tekstslide

Reserveren
Voor incidentele uitgaven heb je niet meteen geld klaarliggen. Daarom is het verstandig ervoor te reserveren. Dan zet je telkens een bedrag opzij, zodat je later een bepaalde grote uitgave kunt betalen.

Slide 9 - Tekstslide

Reservering berekenen
Reservering per maand = benodigd bedrag ÷ aantal maanden
Voorbeeld
Over 9 maanden is het kerstvakantie. Dan wil je een snowboard kopen van € 225. Hoeveel moet je per maand reserveren?
  • € 225 ÷ 9 = € 22,50

Slide 10 - Tekstslide