6.2 Voedsel relaties

6.2 Voedsel relaties
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

6.2 Voedsel relaties

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen:
5 min voorkennis 
15 min uitleg 6.2
20 min HW maken
5 min Afsluiting

Slide 2 - Tekstslide

Schrijf op het papiertje in stilte
Je naam
3 biotische factoren
3 abiotische factoren

2 minuten de tijd


Slide 3 - Tekstslide

Pak een andere kleur pen of een potlood
Ga nu overleggen met je buurvrouw/man heeft

Wil je wat aanpassen op je papiertje doe dit dan in een andere kleur!

2 min

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen
3 Je kunt een voedselketen en een voedselweb maken
4 Je kunt de groepen organismen in de kringloop van stoffen onderscheiden
5 Je kunt biologisch afbreekbaar afval en niet-biologisch afbreekbaar afval onderscheiden

Slide 5 - Tekstslide

Als een organisme wordt opgegeten, komen de stoffen terecht in een ander organisme. In een ecosysteem doorloopt elke stof een kringloop

Slide 6 - Tekstslide

Voedselketens
Voedselketen = een schema waarin staat wie wat eet

Regels bij voedselketens:
  1. Je begint altijd bij organismen die hun eigen energie maken (vaak zijn dit planten)
  2. Pijlen betekenen 'wordt gegeten door'

Slide 7 - Tekstslide

Voedselketen
Verschillende organismen in een weiland
Konijn = planteneter
Vos = vleeseter

gras --> konijn -->  vos  = voedselketen

Slide 8 - Tekstslide

Voedselketen 
Schakel = deel van een voedselketen.


De eerste schakel van een voedselketen is altijd een plant.
De tweede schakel is altijd een planteneter.
De derde schakel is altijd een vleeseter 

Slide 9 - Tekstslide

Voedselketen 
schakel = deel van een voedselketen.

De eerste schakel van een voedselketen is altijd een plant.
De tweede schakel is altijd een planteneter. 
De derde schakel is altijd een vleeseter 

Slide 10 - Tekstslide

Voedselweb
In een voedselweb komen verschillende voedselketens voor.
Een dier die bijna alles eet = een alleseter

Een voedselketen bestaat uit Producenten, consumenten en reducenten

Slide 11 - Tekstslide

We gaan weer een deel van de docu kijken

Maak een voedselketen die je in de docu ziet

Zorg ervoor dat je de pijlen goed gebruikt
Schrijf er ook bij of het dier een planteneter, vleeseter of alleseter is

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Link

Producenten
Een plant is een producent, omdat het zelf zijn voedsel kan maken ( fotosynthese ( water+ koolstofdioxide+ licht= glucose + zuurstof)
-> welke schakel?
Dieren die de producenten
 opeten heten consumenten 
(de konijn en vos)

Slide 14 - Tekstslide

Consumenten
Je kunt de consumenten op
volgorde in de voedselketen 
nummeren.

Producenten worden gegeten door consumenten van de eerste orde. Die worden gegeten door consumenten van de tweede orde, enz.


Slide 15 - Tekstslide

Reducenten
Bacteriën en schimmels
ruimen dode organismen
op. --> reducenten

Hierbij komen 
voedingsstoffen vrij deze horen bij de kringloop

Slide 16 - Tekstslide

Kringloop van stoffen

Slide 17 - Tekstslide

Biologisch en niet-biologisch afbreekbaar afval  
Biologisch afbreekbaar afval 
van planten en dieren, kan wel worden afgebroken door reducenten.  

Niet-biologisch afbreekbaar afval van kunststof, glas, metaal, steen, kan niet worden afgebroken door reducenten.

Slide 18 - Tekstslide

Hoe worden verschillende voedselketens die met elkaar verbonden zijn genoemd?
A
Organismen
B
Schakel
C
Voedselweb

Slide 19 - Quizvraag

Waarom zijn de reducenten zo belangrijk in de voedselketens.
A
zij ruimen alles op
B
Zij zetten de anorganische stoffen om in organische stoffen
C
Zij zetten de organische stoffen om in anorganische stoffen
D
Zij ruimen de dode resten van dieren op

Slide 20 - Quizvraag

Vul in het schema van het voedselweb de volgende organismen op de juiste plaats in (zie afbeelding). 
bladluis 
buizerd 
konijn 
lieveheersbeestje 
merel 
planten 

Slide 21 - Sleepvraag

T3
Producenten
Voedselketen
Reducenten
Voedselweb
Consumenten

Slide 22 - Sleepvraag

6.2 Wat ga je doen (blz 195)
 Maak opdracht 1 tot en met 8, 4 niet
Klaar: check of je 6.1 hebt gemaakt (opdr 1 tm 9, 4 niet)
Klaar met 6.1& 6.2: Kijk beide na 
Klaar met nakijken: Pak je laptop en maak de test jezelf van 6.2
Klaar met test jezelf: Kom even bij mij langs
Leerdoelen:
3 Je kunt uitleggen wat producenten, consumenten en reducenten zijn.
4 Je kunt de kringloop van stoffen beschrijven.
5 Je kunt aangeven welk afval biologisch afbreekbaar is en welk afval niet.

Slide 23 - Tekstslide

Afsluiting:
Schrijf op het papiertje: 
een voedselketen met 4 schakels
schrijf erbij of het een planten-, vlees- of alles eter is
schrijf erbij of het een producent, consument of reducent is

Als je klaar bent lever je het papiertje bij mij in en mag je gaan

Slide 24 - Tekstslide