Woordsoorten betr. vnw

Planning vandaag
Planning vandaag:
- 10 minuten lezen in je leesboek
- theorie en oefenen met woordsoort betrekkelijk voornaamwoord
timer
10:00
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Planning vandaag
Planning vandaag:
- 10 minuten lezen in je leesboek
- theorie en oefenen met woordsoort betrekkelijk voornaamwoord
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het einde van de les kan je:
- een betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw) in een zin herkennen en benoemen.

Slide 2 - Tekstslide

Opdracht in tweetallen
> Overleg in tweetallen.
> Noteer van deze zinnen het woord dat betrekking heeft op een ander woord.
> Noteer ook op welk woord/ welke woorden betrekking hebben.

1 De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
2 Het boek dat ik lees, is erg spannend.
3 Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.

Klaar? Lees alvast de uitleg van betrekkelijk voornaamwoord in het werkboekje woordsoorten.

timer
5:00

Slide 3 - Tekstslide

Bespreken
1 De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
die = betr. vnw en heeft betrekking op de sollicitant

2 Het boek dat ik lees, is erg spannend.
dat = betr. vnw en heeft betrekking op het boek

3 Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.
wat = betr. vnw en heeft betrekking op de hele zin ervoor

Slide 4 - Tekstslide

Keuzemoment
1. Lees zelf de theorie inzake het betrekkelijk voornaamwoord in het werkboekje en maak daarna de bijbehorende opdracht en de lesopdracht.
2. Doe mee met de uitleg en maak daarna de opdracht en lesopdracht.

Slide 5 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
  • Betrekkelijke voornaamwoorden verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het antecedent. 
  • Zij hebben dus betrekking op een ander in de zin genoemd zinsdeel. 
  • Betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wie en wat
  • Het antecedent staat meestal vlak voor het betr. vnw.

Slide 6 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoorden:
Die (tenzij je 'die' kunt vervangen door 'deze' - > aanw. vnw)
Dat (tenzij je 'dat' kunt vervangen door 'dit' - > aanw. vnw)
Wie (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr.vnw zijn)
Wat  (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr.vnw zijn)
(welke, hetgeen, waarmee: komen ook af en toe voor als betr. vnw)

Slide 7 - Tekstslide

Het betr.vnw DIE/ DAT gebruiken
Met die verwijs je naar de-woorden.

Met dat verwijs je naar het-woorden.

Slide 8 - Tekstslide

Hoe gebruik je het betrekkelijk voornaamwoord?

Slide 9 - Tekstslide

Het betr.vnw WAT gebruiken
'Wat' gebruik je:
- als je naar de woorden iets, niets, alles of het enige verwijst;
- na een voornaamwoord dat of datgene;
- na een overtreffende trap of na een (rang)telwoord;
- als het terugslaat op een hele zin;
- als het antecedent niet genoemd is.

Slide 10 - Tekstslide

Het betr.vnw WIE gebruiken
Wie gebruik je als je naar een persoon verwijst. 
Wie is het meewerkend voorwerp in de bijzin. Meestal wordt hier die of aan wie gebruikt.

vb. De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.

Slide 11 - Tekstslide

Hoe herken je het betrekkelijk voornaamwoord?

Slide 12 - Tekstslide

betr.vnw. DIE
De fiets die ik heb gekocht fietst heerlijk!

Die - heeft betrekking op 'de fiets'

De fiets is het antecedent.

Slide 13 - Tekstslide

Betr.vnw DAT
Het kind dat bij de tandarts was, was blij.

Dat - heeft betrekking op het kind.

Het kind is het antecedent.



Slide 14 - Tekstslide

Betr. vnw. WAT
Een dagje naar Disney gaan, is het leukste wat ik ooit gedaan heb.

Wat - heeft betrekking op een dagje naar Disney gaan.

een dagje naar Disney gaan is antecedent

Slide 15 - Tekstslide

Betr. vnw. WIE
De jongen van wie zijn laptop is gevallen, is erg geschrokken.

Wie - heeft betrekking op de jongen

De jongen is antecedent

Slide 16 - Tekstslide

Betr.vnw met ingesloten antecedent
betr. vnw m.i.a. = betr. vnw met ingesloten antecedent 
= als er geen antecedent is in de zin

Betreft alleen de woorden wie en wat

Tip:
Wie moet je kunnen vervangen door degene die
Wat moet je kunnen vervangen door datgene wat

Slide 17 - Tekstslide

Betr.vnw m.i.a. WIE
Wie de bal daar neer heeft gelegd blijft een raadsel.

Wie - kun je vervangen door 'degene die' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 18 - Tekstslide

Betr.vnw m.i.a. WAT
Wat daar is gebeurd kan ik niet navertellen.

Wat - kun je vervangen door 'datgene wat' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 19 - Tekstslide

Werk door..:
* Stel eventueel een vraag/ overleg rustig.
* Maak in het werkboekje de opdracht betreffende het betrekkelijk voornaamwoord.
* Werk rustig.

Klaar? 
Maak de lesoefening betr.vnw.
Oefen met de andere woordsoorten in het werkboekje.

timer
10:00

Slide 20 - Tekstslide

Huiswerk
Dinsdag weet je welke woordsoorten je nog lastig vindt en welke vragen je hebt over de woordsoorten.

Slide 21 - Tekstslide

De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn...
A
die, dat, zus, zo
B
zijn, haar, ons
C
die, dat, wie , wat
D
hij, zij, wij

Slide 22 - Quizvraag

Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 23 - Quizvraag

Wat is een zin met een betrekkelijk voornaamwoord?
A
Die jongen daar is mijn neefje.
B
De jongen, die daar loopt, is mijn neefje
C
Hoe heet die jongen?
D
Dat jongetje is mijn neefje.

Slide 24 - Quizvraag


Wat zijn / doen betrekkelijke voornaamwoorden?
A
Verwijzen naar een eerder genoemd woord in de zin.
B
Woorden waar je de, het of een voor kan zetten.
C
Alle werkwoorden in een zin.
D
Ze geven informatie over het zelfstandig naamwoord.

Slide 25 - Quizvraag

Welke vragen heb je nog?

Slide 26 - Open vraag

Ik kan het betrekkelijk voornaamwoord herkennen en benoemen.
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel
-110

Slide 27 - Poll

Hoe vind je zelf dat je gewerkt hebt?
😒🙁😐🙂😃

Slide 28 - Poll